Sukkot (hebreeuws sukkōt = hutten), naam van het joodse loofhuttenfeest en van twee plaatsen.
(I) S., het loofhuttenfeest, dat volgens Ex 23,16v, Ex 34,22, Dt 16,16 en 2Kr 8,13 het laatste is van de drie grote feesten die jaarlijks gevierd moeten worden, draagt in Ex de naam hag ha'asīf, 'inzamelfeest'. Dit wijst op een oorspronkelijk oogstfeest, dat in de herfst gevierd werd nadat alle vruchten van het land, ook druiven en olijven, binnengehaald waren. Dit feest werd gehistoriseerd en toegepast op het wonen in tenten tijdens de doortocht door de woestijn (Lv 23,42v). Ri 9,27 zegt van het feest dat het de wijnoogst afsluit en gepaard gaat met een vredesoffer in de tempel van Sichem. Het wordt door Ri ook een feest van JHWH genoemd. Volgens Dt 31,10-13 moet iedere zeven jaar tijdens S. de wet van Dt worden afgekondigd. Dan is inmiddels Jeruzalem het doel geworden van de pelgrimage.
Het kenmerkende van het feest is het verblijf geworden in loofhutten die bij het woonhuis onder de open hemel opgericht werden. Lv 23,40 spreekt van de lulaab, een plantenbundel van pompelmoes, een palm-, twee wilgen- en drie mirtetakken. Volgens Neh 8,13-18 werd S. door Esra na de ballingschap opnieuw in Jeruzalem ingevoerd. Het nieuwe bestond in een verplaatsing van de loofhutten van het platteland naar Jeruzalem.
Het misjna-tractaat dat op het feest betrekking heeft
regelt nauwkeurig de riten. Daartoe behoort het
putten van water door priesters uit de vijver van
Siloach bij Jeruzalem en het dragen daarvan in een gouden kan
naar de tempel om het bij het brandofferaltaar uit
te storten. Deze rite diende waarschijnlijk om regen
af te dwingen. De avond van de eerste dag werd de
vrouwenvoorhof geïllumineerd; het woord van Jezus
in Jo 8,12 moet in samenhang daarmee gelezen
worden. Later werd nog een 9e dag aan het feest
van acht dagen toegevoegd, de 23e van de maand
Tisri, de zogenaamde Vreugde der Wet wegens de
beëindiging van de jaarlijkse cyclus van torah-lezingen.
Lit. H. J. Krans, Gottesdienst in Israel. Studien zur Geschichte
des Laubhüttenfestes (München 1954). G. W. MacRae,
The Meaning and Evolution of the Feast of Tabernacles
(CBQ 22, 1960, 251-276).
(2) S., naam van de eerste legerplaats van de Israelieten
bij hun uittocht uit Egypte (Ex 12,37), tussen
Ramses en Etam (Ex 13,20, Nm 33,5v), waarschijnlijk
de tegenwoordige tell el-mashuuta in het oostelijke
deel van de waadi tumeelaat.
(3) Sukkot in de vlakte van de Jordaan, nabij de Jabbok
(Ri 8,5 en 16), niet ver van een doorwaadbare
plaats, in Joz 13,27 bij Gad gerekend; zie kaart afb.
72. Gn 33,17 geeft een etymologie van de plaatsnaam:
Jacob zou daar hutten voor zijn vee hebben
opgericht. Over de juiste ligging bestaat onzekerheid;
tegenwoordig wordt deze bij tell-der-'alla,
niet ver van de monding van de Jabbok in de Jordaan,
verondersteld.
Lit. H. J. Franken, Tell Deir 'Allaa 1 (Leiden 1968). [Beek]