Tell Dēr Alla

Tell Dēr Alla (der alla 'hoog klooster'), ruïneheuvel gelegen in het oostelijke deel van de Jordaanvallei, bij de monding van het dal van de Zerqa (OT Jabbok) in deze vallei. De grond in de omgeving van de plaats is voor landbouw geschikt, maar kan door de geringe regenval alleen met gebruik van irrigatiewater een betrouwbare oogst opleveren. Het plaatselijke steppegebied wordt traditioneel vooral 's winters door kleinveeen kameelnomaden bevolkt, die van het dan veel koudere oostelijke plateau komen. Gunstige wegverbindingen in alle windrichtingen waren van oudsher aanwezig, zodat de plaats behalve met veenomaden ook contacten met diverse landbouwende gemeenschappen en politieke centra kon onderhouden.

Uit literaire bronnen (met name OT) is het gebied waarin T. ligt enigszins bekend, maar een identificatie van de plaats met een in het OT genoemde is nog niet goed gelukt; suggesties zijn o.a. Sukkot (vrij algemeen) en Pniël (Lemaire). De ruïneheuvel is, met haar ruim 25 m hoogte en maximale lengte en breedte van resp. ca. 250 en 200 m aan de voet, een opvallende verschijning in de valleivlakte en de grootste tell in een wijde omgeving.

Een tiental nederzettingen in de naaste omgeving en verder naar het noorden heeft volgens recent onderzoek gedeeltelijk gelijktijdig met T. bestaan. Door nederlandse opgravingen (Leiden, H. J. Franken) tussen 1960 en 1967 en vanaf 1976, nu in nauwe samenwerking met jordaanse instellingen, is de aard en geschiedenis van de plaats enigszins bekend geworden.

De eerste bewoning dateert uit de midden-bronstijd, waarschijnlijk tegen het einde ervan. De nederzetting bevond zich op een natuurlijk heuveltje van ca. 5-8 m boven de vlakte; enkele zware kleitichelmuren en kamertjes van deze bewoning zijn aan de zuidoostelijke voet gevonden en mogelijk ook een stukje van een 'stadsmuur' met glacis. Door kleistort werd ca. 1600 vC het oppervlak van de heuvel naar het noorden uitgebreid. Een tempelcomplex werd gesticht, waarvan de laatste fase (einde late bronstijd) gedeeltelijk is opgegraven: een deel van het hoofdgebouw op een terras en delen van bijgebouwen.

De omvang van het gebouw doet vermoeden dat een groot deel van de kennelijk muurloze nederzetting in verband met het heiligdom stond en dat de tempel een godsdienstige functie voor een wijde omgeving heeft gehad. Er zijn verschillende voorwerpen in de gebouwen aangetroffen die het interlocale belang van het heiligdom aangeven: myceens aardewerk, rolzegels, een faïence-vaas van de egyptische koningin Ta-usert (1205 tot 1194, terminus post quem voor de verwoesting). Ook zijn binnen het complex ter plaatse gemaakte rechthoekige kleitabletten gevonden, waarvan er drie waren beschreven; het schrift is nog niet bevredigend ontcijferd. Botanisch onderzoek heeft aangetoond dat in ieder geval voor een deel van de beoefende landbouw irrigatie werd toegepast. Het gebouwencomplex, en vermoedelijk de hele nederzetting, werd waarschijnlijk kort na 1200 door een aardbeving en hevige brand verwoest. Hoewel het begin van de ijzertijd in de hele Levant door bewegingen van bevolkingsgroepen een roerige periode is geweest, toont deze verwoesting geen spoor van vijandelijkheden. Kort erna werd de puinheuvel gebruikt door mensen met een andere cultuur, mogelijk tentbewoners, die daar waarschijnlijk alleen in het winter- en voorjaarsseizoen leefden en zich behalve met veeteelt en landbouw ook met koper/bronsgieterij bezig hielden. Resten van enkele vuurkamers van de smeltovens van deze smeden zijn bij de noordelijke helling gevonden. Voor het gietwerk was men ter plaatse in een gunstige positie vanwege voorhanden zijnde vormklei, veel brandhout in het nabije achterland (Ajlun) en misschien ook door de vaak voorkomende locale harde oostenwind (cf. 1Kg 7, 46). Opvallend is de vondst van z.g. filistijns aardewerk in deze lagen, hoewel dit niet op directe relaties met Filistijnen hoeft te wijzen.

Nog vóór waarschijnlijk 1100 bouwde een bevolkingsgroep met een gedeeltelijk afwijkende cultuur op de heuvel verschillende, langs de noordelijke helling aangetroffen gebouwen, vermoedelijk een volledig 'dorp'. Deze bewoning heeft verschillende herbouwingen gekend en duurde tot ca. 1000 vC. Daarna was er pas rond 800 vC weer een nederzetting (fase M), waarvan de bevolking voor haar landbouwactiviteiten (bv. tarwe- en vooral vlasbouw) irrigatie gebruikte. Het opgegraven gedeelte toont een aaneenschakeling van kleine kamers, waarvan een aantal voor weefwerk werd gebruikt, en enkele steegjes. Een slechts met een biezen mat overdekte smalle ruimte gaf zicht op een met kalk bepleisterde, van kleitichels opgebouwde wand-'stele'. Deze ca. 7 mm dikke bepleistering is uit talrijke brokstukken fragmentair gereconstrueerd. Er waren enkele tekeningen (o.a. van een sfinx) op aangebracht en ook een lange met zwarte en rode inkt geschreven inscriptie in een kennelijk locale taal- en schriftvorm, die beide verwant zijn met de arameese. De inhoud bevat een beschrijving van de profeet-ziener Bileam (zie Nm 22) en diens visioen en spreuken over een dreigende 'omgekeerde wereld', waarbij de godin Sagar en de god Astar een belangrijke rol spelen. De functie van deze godsdienstige inscriptie op die plaats is nog onduidelijk. Er is wel gedacht aan de mogelijkheid, waarop ook bepaald vaatwerk en enkele andere inscripties kunnen wijzen, dat het hier om bijgebouwen van een heiligdom gaat.

Na de verwoesting, door aardbeving en gedeeltelijk door brand, en enige locale nieuwbouw is er een periode zonder huizenbouw geweest. Vervolgens is er rond 700 vC een bewoning waarin o.a. het internationale z.g. assyrisch aardewerk voorkomt. Daarna is er afwisselend bewoning zonder en met huizenbouw, waarschijnlijk tot aan het eind van de 4e eeuw vC, een periode waarin de kleine nederzetting deel had aan de gedurende het Achaemenidenrijk bestaande handelscontacten (o.a. attisch importaardewerk naast typisch transjordaans materiaal). Verscheidene inktinscripties op scherven voegen informatie toe over de bevolking in deze periodes. De tell is daarna niet meer bewoond geweest, maar in de vroege islamitische tijd (tot ca. 1500 nC) wel als begraafplaats gebruikt door de bevolking van een aan de noordoostelijke voet gelegen dorp. De bewoningsgeschiedenis reflecteert vermoedelijk een wisseling van beheersing van deze plaats aan de rand van de steppe door landbouwende resp. veenomadische culturen en combinaties ervan.


Lit. H.J. Franken, Excavations at Deir 'Alla 1. A Stratigraphical and Analytical Study of the Early Iron Age Pottery (Leiden 1969). M. Ottosson, Gilead. Tradition and history (Lund 1969). W. van Zeist/J.A. Heeres, Paleobotanical Studies of Deir 'Alla, Jordan (Paléorient 1, 1973, 21-37). E. Masson, Un nouvel examen des tablettes de Deir 'Alla (Jordanie) (Minos 15, 1974, 7-33). M. M. Ibrahim e.a., The East Jordan Valley Survey 1975 (BASOR 222, 1976, 41-66). J. Hoftijzer/G. van der Kooij, Aramaic Texts from Deir 'Allä (Leiden 1976). J. Hoftijzer, De aramese teksten uit Deir 'Allä (Phoenix 22, 1976, 84-91). A. Lemaire, Galaad et Maknr (VT 31, 1981, 39-61). H. Weippert/M. Weippert, Die 'Bileam'-Inschrift von Tell Der 'Alla (ZDPV 98, 1982, 77-103). [van der Kooij]


Afkortingen  Kaart