Zaligspreking (μακαρισμός, beatitudo), lofprijzing van een persoon (ev. een gepersonificeerd lichaamsdeel; vg. Mt 13,16; Lc 11,2 ; 23,29) in de formulering 'zalig wie ...' en de motivering ervan: een deugd of een situatie waarin de persoon in kwestie verkeert. Voor de Grieken betekende 'zalig' het vrij zijn van leed en zorg. Het was bij uitstek een predikaat van de goden. In de joodse literatuur komt daar dikwijls een geestelijke dimensie bij: zalig is hij die in de juiste relatie staat tot God door het onderhouden van zijn wet (Ps 1,1; 41,2; 119,1 enz.).
De christelijke verkondiging voegt hier nog een eschatologisch element aan toe: zalig is hij die erfgenaam is van het Rijk Gods. In het OT treft men de z.en vooral aan in de wijsheidsliteratuur (vgl. Sir 25,7-10). In het NT bevinden ze zich voornamelijk bij de synoptici en in de Apoc, minder in de hellenistisch-christelijke literatuur (vgl. Rom 14,22; 1Kor 7 ,40). Het bekendst zijn de z.en van de Bergrede in Mt 5,3-12 en Lc 6,20b-26.
De z.en bij Mt en Lc wijken sterk van elkaar af. Lc heeft er vier, gevolgd door vier vervloekingen ('wee U die ...). Mt heeft er acht (of negen), waarvan er slechts vier met Lc corresponderen. Bij Mt is de formulering onpersoonlijk en algemeen (zalig hij die ...), bij Lc staan ze in de directe rede en zijn ze gericht tot een concreet gehoor (zalig gij armen).
Bij Lc hebben ze bovendien een eschatologische dimensie:
die nu honger lijden zullen later verzadigd
worden. Tenslotte is de motivering bij Mt conditioneel
en deze conditie is een deugd of een tot deugd
verheven maatschappelijke situatie (arm van geest,
dorstend naar gerechtigheid, vervolgd omwille van
de gerechtigheid). Daarmee krijgen de z.en een paraenetisch
karakter. Bij Lc daarentegen gaat het om
een maatschappelijke of lichamelijke situatie (arm,
hongerig, bedroefd, vervolgd). Zij houden een bewuste
retorische omkering in van de gangbare religieuze
opvatting dat de rijken door God gezegd en
de armen gestraft zijn. Mt richt zich op een binnenkerkelijke
situatie: de geroepenen moeten aan hun
uitverkiezing beantwoorden. De eschatololische
inkleuring van Lc houdt verband met het uitblijven
van de parousie: de armen zullen in het hiernamaals
compensatie krijgen voor hun lijden. Algemeen beschouwt
men de versie van Lc als de oorspronkelijke,
alhoewel de eschatologische inkleuring en de
vervloekingen wel van lucaanse herkomst zijn.
Lit. P. Althans (RGCê 5, 1685-1688). - I. W. Batdorf, Interpreting
the Beatitudes (Philadelphia 1966). J. Dupont, Les béatitudes 1-3
(Brugge 1958-1973). - C. H. Dodd, The Beatitudes. A form-critical
study (in More NT Studies, Manchester 1968, 1-10), S. Agouridès,
La tradition des Béatitudes chez Matthieu et Luc (in Mélanges B. Rigaux, Gembloux 1970, 9-27). G. Strecker, Die Makarismen der
Bergpredigt (NTS 17, 1970/1971, 255-275). H. Frankenmölle, Die
Makarismen (BZ 15, 1971, 52-75). E. Schweizer, Formgeschichtliches
zu den Seligpreisungen Jesu (NTS 19, 1972/1973, 121-126). R.
Kieffer, Wisdom and Blessin in the Beatitudes of St. Matthew and
St. Luke (StEv 6, 1973, 291-295). J. Dupont, Introduction aux Béatitudes (NRTh 98, 1976, 97-108). H. D. Betz, Die Makarismen der
Bergpredigt (ZThK 75, 1978, 3-19). - Zie voorts s.v. Bergrede.
[Bouwman]