
In het OT wordt het meer van Tiberias
meer van Kinneret genoemd (Nm 34,11; Joz 12,3;
13,27), naar de stad Kinneret in Naftali (Dt 3,17;
Joz 11,2; 19,35), die ook in egyptische teksten genoemd
wordt en identiek is met de tegenwoordige
tell el-'orēme aan de n.w. oever vlak boven de latere
kustplaats Kapernaüm. De LXX en het NT kennen
de misschien met het hebr. gan (tuin) samenhangende
naam Γεννησάρ (IM 1 1,67) of Γεννησαρέτ, welke
vorm waarschijnlijk een latere assimilatie is aan de
naam Kinneret, waarmee het woord oorspronkelijk
niet te maken heeft, en noemt daarmee de kleine
maar vruchtbare vlakte el-guwēr aan de westzijde
van het meer van Tiberias (Mc6,53 e.p.) met de
gelijknamige, in de bijbel niet genoemde stad (de
tegenwoordige ruïnen hirbet el-minje), die sinds de
romeinse tijd op de plaats van het oude Kinneret
stond. Vandaar ook de naam: meer van G. (eenmaal
in het NT: Lc 5,1), terwijl elders in het NT van het
meer van Galilea (Mt 4,18 e.a.; Mc 1,6; 7 ,31) of van
het meer van Tiberias (Jo 6,1; 21,1; zo ook in de
rabbijnse literatuur) gesproken wordt. De tegenwoordige
naam is bahrat-tabarīje.
De grootste lengte van noord naar zuid bedraagt
21 km, de grootste breedte van oost naar
west 12 km, de diepte varieert van 42 tot 48 m, de
oppervlakte bedraagt 144 km², het peil varieert van
208 tot 210 m onder dat van de Middellandse Zee.
Het water is zoet, tamelijk helder, en visrijk; de visvangst
is ook nu nog het voornaamste middel van
bestaan van de omwonende bevolking. Deze was ten
tijde van Jezus talrijker dan nu, vooral aan de westelijke
oever. Plotselinge stormen zijn niet zeldzaam
(Mt 8,23-27 e.p.; 14,22-33 e.p.).

Lit. Abel 1, 163; 2, 494-498. Simons blz. 574. Kopp 212-287.
[v. d. Born]