
Kapernaüm (hebr. kefar-nahhūm: dorp van Nahum; Καφαρναοῦμ),
stad in Galilea aan het meer van Gennesaret,
grensstad met tolstation tussen de staten van Filippus
en Herodes Antipas
(Mt 9,9), met een romeins
garnizoen onder een honderdman die de synagoge
van K. gebouwd had (Mt 8,5-13 e.p.). In en rond
deze stad speelt zich een groot deel van Jezus' optreden
af. Hij woonde er (Mt 4,13; 9,1; 'zijn stad')
en onderrichtte er in de synagoge (Mc 1,28 e.p.).
Simon Petrus
had er met Andreas een huis (Mc 1,29
e.p.); zie verder Mt 17,24 (vraag over de belasting),
Mc 2,1 (genezing van een lamme); 9,32; Lc 4,23; Jo
4,46; 6,17.24.59. Het resultaat van Jezus' werkzaamheid
aldaar was echter zo gering dat hij de stad om
haar ongeloof vervloekte (Mt 11,23 e.p.). K. werd
aanvankelijk (met Robinson 1838) gezocht in hān
el-minje; nu is het zeker dat tell hūm, 4 à 5 km ten
westen van de monding van de Jordaan, 3 km ten
oosten van 'ēn ettābga, de plaats is van het oude K.
(zo ook de christelijke traditie van de 4e eeuw tot de
middeleeuwen). Hierbij een foto van de synagoge.
Lit. F. M. Abel (DES 1, 1045-1064). Abel 2, 292v. Kopp 214-230. [v. d. Born]