
![]()
Leontopolis (Λεοντοπόλις), griekse naam van twee steden in de
egyptische Delta.
(1) Het door Strabo 17.1.19 genoemde Leontopolis wordt geidentificeerd met het huidige Tell el-Muqdàm, 10 km ten zuiden van Mit Ghamr gelegen. Het was in de ptolemaeïsche tijd de hoofdstad van de Leontopolites genoemde gouw. De stadsgod was M3i-l.zs3, Μιυσις, Μιωσις 'de grimmige leeuw', de zoon van de kat Ubastet uit het nabijgelegen Bubastis, die ook hier vereerd werd. Beeldjes van leeuwen en stèles met leeuwen, uit L. afkomstig, zijn in verschillende musea bewaard. In situ werden alleen geringe overblijfsels gevonden van een door Osorkon II gebouwde tempel. Als egyptische naam van de stad werd vroeger 'I3.t-hnw beschouwd; een jongere hypothese stelt T3-rm.w (voor oorspronkelijk Tr-rm.w, '(de plaats) die de vissen vereert') voor. Misschien heette de stad sinds de Ramessidentijd N3-t3-hw.t, Ναθω zie hierna.
(2) Λεοντοπόλις τοῦ Ἡλιουπολιτου ligt 19 km ten noorden van Heliopolis. De naam verwijst naar het leeuwenpaar (Ruti) Sju en Tefnut, die in betrekking staan tot de zonnecultus van deze stad. Jos. Ant. 13. 3.1-3 vertelt hoe de joodse hogepriester Onias (IV) onder Ptolemaeus VI Philometor hier een tempel bouwde naar het model van die van Jeruzalem.
Tijdens de jodenvervolgingen van Vespasianus, in 71 nC, werd de tempel gesloten. De herinnering aan deze nederzetting van Joden die het Rijk van Antiochus IV ontvlucht waren leeft voort in de huidige naam van de plaats, Tell el-Yahudiyah. De opgravingen van E. Naville in 1887 brachten vele grieks-joodse grafopschriften aan het licht. Samen met die welke later door clandestiene opgravers gevonden werden zijn zij heruitgegeven in F. Preisigke, Sammelbuch griechischer Urkunden aus Ägypten 1, 1915vv. Enkele latere vondsten door G. Lefebvre in Annal. Serv. Antiq. 24, 1924, 1-5. In het egyptisch heette de plaats N3y-t3-hw.t, grieks Ναθω, afkorting van een lange naam die in vertaling luidt 'Die (de lieden) van het kasteel van Ramses, heerser van On, in het huis van Re ten noorden van On (Heliopolis)'. Deze wijst erop dat hier een nederzetting van landbouwers met tempel gesticht werd door Ramses III. Van het erg gehavende heiligdom werden in 1870 door sebach-gravers de eerste sporen ontdekt. Het werd blootgelegd samen met de resten van een tempel van Ramses II door de opgravingen van het Egypt Exploration Fund in 1887. Een merkwaardigheid ervan is dat sommige wanden bekleed waren met rozetten, koningscartouches, voorstellingen van vreemde krijgsgevangenen enz., in geëmailleerd veelkleurig plateelwerk. De in 1870 gevonden specimina kwamen in de voornaamste musea terecht.
De assyrische Rassamcilinder, die de veldtochten van Assurbanipal, o.a. in Egypte, verhaalt (vertaling ANET 294vv), vermeldt twee steden in de Delta die Nathu heten; koptische lijsten van bisdommen localiseren Ναθω te Sahragt, op 8 km van Tell el-Muqdam.
Dit schijnt er op te wijzen dat ook L. (1) de
naam Ναθω droeg. In dit geval kan 'I3.t-hnw, dat
vermoedelijk onder de vorm Abni in de Rassamcilinder
voorkomt, met deze stad niet identiek zijn.
Lit. Porter/Moss 4, 37-39; 56-58. H. Kees (PRE 24, 2054v
(L. 7); 2055v (L. 8); 32, 1803v (Natho)). Gardiner 2, 186*;
146*-148*. J. Yoyotte, La ville de 'Taremou' (Tel] e1-Muqdam)
(BIFAO 52, 1953, 179-192). Vgl. Id. (RA 46, 1952, 213).
A. Barucq (DBS 5, 1957, 359-372). E. Naville, The Mound of
the Jew - F. L. Griffith, The Antiquities of Tell el-Yahudiyeh
(Publ. Eg. Expl. Fund, Memoir 7, London 1890).
[Vergote]