Etymologicon

Etymologicon of -cum, lexicon waarin de etymologie van woorden - naar antieke opvatting de leer van hun 'ware betekenis' (τὸ ἔτυμον) - wordt gegeven.

(I) Pogingen om de oorsprong van woorden op te sporen en aldus hun oorspronkelijke betekenis te doorgronden komen in de vorm van 'etymologisering' vanaf Homerus in de gehele griekse en latijnse literatuur voor.

De systematische studie van de etymologie begon in de 5e eeuw vC in de kringen van sofisten en filosofen, die tot de oorsprong van de taal wilden doordringen om een helderder inzicht in het wezen der dingen te verwerven: velen van hen beschouwden de naam als behorende tot het wezen van het daardoor aangeduide ding en waren van mening dat de dingen hun namen φύσει d.w.z. op grond van hun natuur, bezitten. Daartegenover verdedigden anderen de opvatting dat de namen slechts produkten zijn van θέσις (naamgeving) en νόμος (conventie). Een interessante discussie over dit probleem vinden we in Plato's dialoog Cratylus. De stoïcijnen huldigen de φύσει-theorie, maar stelden wel de eis dat de etymologie terug moet gaan tot de πρῶται φωναί, een aantal grondwoorden, waaruit de overige door samenstelling zijn ontstaan. Hun opvattingen zijn voor het grootste deel van de oudheid, ook de romeinse (Varro), bepalend geweest. Een tegenstander van de φύσει-theorie was Aristoteles.

In de 1e eeuw vC legde Philoxenus van Alexandrië de basis voor een wat minder dilettantische benadering; hij herleidde met strenge toepassing van het beginsel der analogie alle woorden tot oude, eenlettergrepige werkwoordstammen. Eerst in de 19e eeuw ontving de etymologie een hechte wetenschappelijke grondslag in de vergelijkende taalwetenschap en de klankwetten.

Typisch voor de willekeur waarmee de antieke etymologen te werk gingen zijn 'etymologieën' als ἕσπερος, ἀπὸ τοῦ ἔσω περᾶν πάντα τὰ ζῷα ('op grond van het feit dat alle levende wezens zich dan naar binnen begeven' en cura dicta ab eo quod cor urat ('op grond van het feit dat zij het hart schroeit').

(II) Etymologische woordenboeken schijnen pas in de 1e eeuw vC ontstaan te zijn; deze werden voortdurend herzien en aangevuld, zodat de geschiedenis van de etymologica zeer ingewikkeld is. De belangrijkste geheel of gedeeltelijk bewaard gebleven griekse exemplaren stammen uit de late oudheid en de middeleeuwen:

1. het E. Orionis (5e eeuw), dat o.a. geschriften van Philoxenus benut heeft en waarvan uittreksels bewaard zijn gebleven (uitgegeven door F. Sturz, Orion, E., Leipzig 1820);

2. het z.g. E. Genuinum (Constantinopel, 9e eeuw), nog niet uitgegeven (collaties in E. Miller, Mélanges de Iittérature grecque, Paris 1868 = Amsterdam 1965, 1-318);

3. het z.g. E. Gudianum (11e eeuw; autograaf, codex Vaticanus Barberinus I 70, bewaard gebleven; uitgegeven door F. Sturz, Etymologicum Graecae Linguae Gudianum, Leipzig 1820, en - gedeeltelijk - door E. de Stefani, E. Gudianum quod vocatur, Leipzig 1909-1920 = Amsterdam 1965);

4. het z.g. E. Magnum (12e eeuw), voor een groot deel gecompileerd uit Genuinum en Gudianum (uitgegeven door T. Gaisford, E. Magnum, Oxford 1848 = Amsterdam 1967);

5. het z.g. E. Symeonis (13e eeuw), nog niet uitgegeven.

Veel latijnse etymologieën zijn te vinden in Isidorus' grote encyclopedie (begin 7e eeuw), die de titel Etymologiae of Origines draagt.


Lit. R. Reitzenstein (PRE 6, 807-817). - Id., Geschichte der griechischen Etymologika (Leipzig 1897 = Amsterdam 1964). F. Muller, De veterum, imprimis Romanorum studiis etymologicis (Diss. Utrecht 1910). L. Rank, Etymologisering en verwante verschijnselen bij Homerus (Diss. Utrecht, Assen 1951). G. Bartelink, Etymologisering bij Vergilius (Verh. Kon. Ned. Akad. Wetenschappen, afd. Letterkunde 28, 3, Amsterdam 1965). [Nuchelmans]


Lijst van Auteurs