Steeds van lage maar van vrije afkomst,
vormden de lictoren een in decuriae verdeelde corporatie.
Zowel in als buiten Rome gingen zij in een
lange rij voor de magistraat uit, wiens komst zij
aankondigden, voor wie zij de weg vrijmaakten en
in wiens opdracht zij arrestaties verrichtten en afkondigingen deden.
De lictoren waren kenbaar aan hun kleding - buiten de
stad een rode mantel - en aan de fasces, een bundel
roeden van olmen- of berkenhout met een daarin
gestoken bijl als symbool van het oorspronkelijke
recht tot tuchtiging en terechtstelling; binnen het
stadsgebied werd de bijl uit de fasces verwijderd.
Het instituut der lictoren ging terug tot in de koningstijd
en was waarschijnlijk van etruskische oorsprong.
Het aantal lictoren wisselde naar gelang van de rang van
de magistraat. Zo werd de consul oorspronkelijk
vergezeld door 6, na ca. 300 vC door 12 lictoren; een
dictator had het dubbele aantal, een praetor het
halve. Domitianus verdubbelde
het aantal keizerlijke lictoren tot 24.Lictores curiatii begeleidden bepaalde religieuze functionarissen
en regelden het bijeenroepen van de comitia curiata.
Lit. B. Kübler (PRE 13, 507-518). A. Longo (EAA 4, 662v).
Th. Mommsen, Römisches Staatsrecht 1² (Leipzig 1876) 339-341,
358-376. - A. Colini, Il fascio littorio (Rome 1933). I.
Cortese, Littore (ib. 1934). K. H. Vogel, Imperium und
fasces (Zeitschrift für Religionsgeschichte 67, 1949, 62-111).
E. S. Staveley, The fasces and imperium maius (Historia 12,
1963, 458-484). [A. J. Janssen]