De Meern
Flavus (25) is soldaat van het
Romeinse leger, gelegerd in
het legerkamp in De Meern.
Hij is een boerenzoon en
komt van een hoeve vier
mijl ten westen van Castellum Levefanum (Wijk bij
Duurstede).
Op zijn 18e meldt hij zich vrijwillig aan als rekruut. Een baan in het Romeinse leger is populair: vast werk, vast inkomen en goede secundaire arbeidsvoorwaarden zoals medische verzorging, kleding en voedsel. Daarnaast biedt het leger de kans om een vak te leren, want er is behoefte aan allerhande specialisten: wagenmakers, bakkers, bierbrouwers, stokers in het badhuis.
Ook bestaat binnen het leger de mogelijkheid tot carrière. Sommige rekruten werken zich op tot centurio. Tenslotte bouwt een soldaat pensioen op, dat hij na 25 jaar dienst krijgt. Ook verwerft hij dan volledige Romeinse burgerrechten. De diensttijd begint met een militaire opleiding van twee jaar met vakken als wapentraining en optrekken in formaties. Flavus heeft zijn opleiding er allang opzitten en is gewoon soldaat. Zijn voornaamste taak is de verdediging van de rijksgrens. De Rijn vormt de grens en langs deze rivier hebben de Romeinen een keten van legerplaatsen (castella) gebouwd met daartussen wachttorens, van waaruit de omgeving wordt bespïed. Flavus heeft eens in de zeven weken een dienst van vier dagen in een wachttoren. Zijn werk bestaat verder uit patrouilleren en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan het castellum. Hij heeft vrouw en een kind, die buiten het castellum in het kampdorp wonen. In het castellum zelf wonen slechts soldaten, alleen de kampcommandant woont met zijn vrouw in een villa in het kamp. Flavus slaapt met acht medesoldaten in een kleine ruimte op stapelbedden.
De ruimte bestaat uit twee gedeeltes; de slaapkamer en een
kamertje waar de soldaten
hun uitrusting opbergen. Koken doen ze zelf op het vuur
in het slaapvertrek. De warme maaltijd bestaat doorgaans
uit pap met bonen met
een stuk spek erbij.