Twaalfde dag van de maand november, in het veertiende jaar van het bewind van onze doorluchtige keizer Antonimus Pius.
"Het gejank van een vliegende storm om de wachttoren wekt me uit een korte slaap. Mijn hoofd doet zeer van de drank. Gisteren hebben we met zijn vieren de laatste amfoor wijn soldaat gemaakt. We vierden dat onze dienst in de wachttoren er weer opzit. Vier dagen in zo'n hok, dat is afzien. Vier uur op en vier uur af, een beetje turen over de rivier. Geen vijand te bekennen.
We ontbijten met de restjes van gisteren. Wat oud brood en gedroogde vruchten. De proviand voor vier dagen, die we hadden meegenomen, is helemaal op. Tegen het middaguur komt de volgende ploeg ons aflossen. Ze vertellen over een schip dat in moeilijkheden is geraakt in de storm. We spoeden ons naar het kamp terug. De regen gutst op ons neer.
Halverwege krijgen we het schip in zicht. Het ligt in de bocht van de rivier en maakt slagzij. Er is geen redden aan. De schipper en zijn maatje kunnen net op tijd van boord springen. We helpen ze de wal op. Jammerend ziet de schipper hoe zijn schip verdwijnt onder de golven. Hij kwam net uit Valkenburg en was met een parrij wollen tunica's en dekens op weg naar De Meern.
We nemen de kletsnatte
schipper en zijn maatje mee
naar het legerkamp. In het
kampdorp brengen we hem
naar de herberg. De herbergier ontfermt zich over hen.
Hij geeft ze droge kleren en
zet ze voor het vuur. Morgen,
als de storm geluwd is, wil de
schipper kijken of het schip
nog te redden valt.
In het kamp melden we ons
eerst af bij de centurio. Het
verslag van de dienst is kort:
geen bijzonderheden. Ik berg
mijn wapenuitrusting op. Later in de middag ga ik met
een maatje het badhuis in. Bijkomen van de lange dienst en
wat babbelen. Het vergane
schip is gesprek van de dag.
Daarna terug naar het kamp.
Ik heb kookcorvee en maak
de palingen schoon die we in
de fuik bij de wachttoren hebben gevangen. Lekkere vette
vis. Na het eten dobbelen we
nog wat en de dag is over. Het
stormt nog steeds.