Azarja (hebreeuws 'ăzarjāh: Jahwe heeft geholpen), bijbelse naam die men vooral tegenkomt in de naamlijsten van Kr en Neh. Bekend zijn:
(1) Azarja, koning van Juda (787-757/736), ook Uzzia geheten.
Terwijl 2Kg zijn orthodoxie prijst en alleen zijn
melaatsheid vermeldt, geeft 2Kr 26,5-15 bijzonderheden
over gelukkige oorlogen, bouwwerken, economische
en militaire maatregelen. Zijn melaatsheid
wordt door 2Kr 26, 16-21 hierdoor verklazrd dat hij
zich het opdragen van het reukoffer aangematigd
zou hebben. Hij wordt door sommigen, o.a. Tadmor
(Lit.) vereenzelvigd met de uit assyrische inscripties
bekende Azrijau van Jaudi.
Lit. R. Feuillet, Les villes de Juda au temps d'Ozias (VT 11,
1961, 270-291). H. Tadmor, Azriyahu of Yaudi (Scripta Hier.
8, 1961, 232-271). G. Rinaldi, Quelques remarques sur la politique
d'Azarias de Judée en Philistie (VT Suppl. 9, 1962, 225-235).
O. Eissfeldt, Juda und Judäa als Bezeichnungen nordsyrischer
Bereiche (FuF 38, 1964, 20-25).
(2) Azarja, oorspronkelijke
naam van Abednego (Dn 1,
7). Van hem is overgeleverd een gebed in de griekse
tekst na Dn 3,23. Het staat bekend als het 'Gebed
van A.' (LXX Dn 3,26-45), dat als volksklaaglied geheel
losstaat van het verhaal en de nood der diaspora
tot thema heeft.
Lit. Schürer 3, 452-458. O. Eissfeldt, Einleitung in das A.T3
(Tübingen 1964) § 84.
[Beek]