Henoch (hebr. 'hănōk' betekenis onbekend; in het kanaänitisch betekent ḥanaku volgeling).
(I) In de Kaïnietenlijst (Gn 4,17-24) is H. de zoon van Kaïn en vader van Irad; in de Sethietenlijst (Gn 5) de zoon van Jered en vader van Methusala. Nadat de Sethiet 365 jaar met God gewandeld had (een bijzonder vroom leven had geleid), werd hij van de aarde weggenomen (Gn 5,24; Sir 44,16; 49,14; Lc 3, 37). Hij speelde een grote rol in de latere joodse legende, waarvan ook sporen in het NT worden aangetroffen. Zo is Hb 11,5 waar H.s geloof geprezen wordt, beïnvloed door Hen(aeth) en Jub 10,17; verder citeert Jud 14v een profetie van H., die eigenlijk een uitspraak is van het Henochboek (60,8). Volgens Jub 4,23 zou hij naar de tuin van Eden overgebracht zijn. Het is niet mogelijk, de oorsprong van deze legenden, die zeker niet alle op Gn teruggaan, te achterhalen.
(II) Het genoemde boek Henoch, in het NT geciteerd Jud 14-15 en blijkbaar in aanzien bij de oudchristelijke gemeente, behoort tot de apocalyptische boeken, die lange tijd uit de gezichtskring van West-Europa verdwenen zijn en eerst in de loop van de 19e eeuw nieuwe bekendheid verwierven. In 1773 bracht de engelse reiziger Bruce uit Addis Abeba drie handschriften van het boek in ethiopische vertaling naar Londen. De tekstuitgave van Dillmann in 1851 en diens vertaling van 1853 legden de grondslag voor wetenschappelijk onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat het boek oorspronkelijk in het hebreeuws of aramees geschreven was en ontstaan was voor of tijdens de makkabeese oorlog. Het zou sindsdien van vele uitbreidingen en ook van christelijke interpolaties zijn voorzien en via een griekse vertaling in het ethiopisch zijn overgeleverd. Bij de Dode Zee werden tien fragmenten gevonden van teksten in het aramees, die sterke overeenkomst vertonen met die van het boek H. (Barthélemy and Milik, Qumran Cave I, 1955, 84-86).
De indeling van het boek H. is als volgt: 1-16: De val der engelen, aansluitend bij Gn 6. 17-36: Het 'ik-bericht' van H., waarin hij vertelt van de geheime oorsprong der dingen, afsluitend met een beschrijving van de boom des levens, de plaats der bestraffing, het paradijs en de boom van de kennis van goed en kwaad.
37-71: De gelijkenissen over de woonplaats van God en de aartsengelen, de mensenzoon, de natuurkrachten en het gericht.
72-82: Het boek van de hemellichamen.
83-90: Twee visioenen van de aanstaande ondergang en van een symbolisch overzicht van de geschiedenis van Israël tot de messiaanse tijd.
91-93: De wekenapocalyps, die begint met de eerste week van Adam tot Henoch, waarbij in de 7e week het heden wordt bereikt en in de 10e het gericht over de engelen en een nieuwe hemel wordt aangekondigd.
94-105: Weeroepen over de zondaren en vermaningen tot volharding voor de rechtvaardigen.
106-107: De geboorte van Noach.
108: Een toevoeging over hel en zaligheid.
Een aanknopingspunt voor datering is te vinden in 85-90. Hier passeren de bekenden uit de bijbelse geschiedenis de revue, omhuld en aangeduid als dieren. Wanneer Israël en Juda gevallen zijn wordt dit verklaard als het werk van God, die de heerschappij over zijn schapen heeft overgedragen aan 70 herders. Deze zijn ingedeeld in 4 groepen van 23 + 12 + 23 + 12, corresponderend met de tijdperken; 1. tot Cyrus, 2. tot Alexander de Grote, 3. tot de Seleucidische heerschappij over Jeruzalem en 4. tot de komst van het messiaanse rijk.
Het is van meet af aan opgevallen dat de moraal
van het boek H. sterke verwantschap vertoonde met
die van het evangelie en dat er een opvallende parallellie
is tussen de verkondiging van de 'mensenzoon'
en die van het evangelie. Hij is een pre-existent
wezen, in de eindtijd treedt hij op als de eschatologische
verlosser, hij heeft een bovenaardse natuur
en wordt toch mens genoemd. Hij verkondigt de
mensenzoon en blijkt later de mensenzoon te zijn die
hij verkondigd heeft (zie hierover: R. Otto, Reich
Gottes und Menschensohn im Aethiopischen Henoch-buch,
Lund 1946).
Lit. Uitgave: R. H. Charles, The Ethiopic Version of the
Book of Henoch edited from 23 MSS etc. (Oxford 16). Vertalingen:
R. H. Charles, The Apocrypha and Pseudepigrapha
of the O.T. 2 (ib. 1913; herdruk London 1963) 163-281.
E. Kautzsch, Die Apokryphen und Pseudepigraphen des
A.T. 2 (Tübingen 1900, 217-310). - M. A. Beek, Inleiding in
de Joodse Apocalyptiek (Haariem 1950) 41vv en 55-108.
(III) De griekse H., naam die gewoonlijk gegeven
wordt aan de griekse versie van de hoofdstukken
1-32, waarvan het handschrift, afkomstig uit de 8e
eeuw, gevonden werd door S. Grébaut in 1886/87.
Dit kwam voor den dag uit het graf van een christen
in Achmim in Opper-Egypte. Het werd voor het
eerst gepubliceerd door U. Bouriant (Paris 1892),
een tweede maal met verbeteringen door A. Lods
(Paris 1893). Sindsdien zijn nog een aantal fragmenten
voor den dag gekomen, die bewezen hebben
dat de citaten van Georgius Syncellus (ed. G. Dindorf,
Bonn 1829, dl 1) dichter bij de oorspronkelijke
griekse tekst staan dan het fragment van Achmïm.
Lit. A.-M. Denis, Introduction aux Pseudépigraphes Grecs
de PA.T. (Leiden 1970) 15-30, waar alle literatuur tot heden.
(IV) De slavische H., ook wel genoemd het tweede
boek H., is een vertaling van het boek H. uit het
grieks, zoals blijkt uit een verklaring van de naam
Adam door een akrostichon, dat alleen in het grieks
mogelijk is. In de laatste vorm is het boek van christelijke
herkomst en zeker niet ouder dan de 7e eeuw
nC, maar de grondslag is joods en wegens het veronderstellen
van tempel en offerdienst ouder dan
70 nC. De hfdst. 4-21 beschrijven een reis door de
zeven hemelen, 22-38 handelen in de geest van de
gnostiek over de hemellichamen, 39-66 verrassen
door parallellen met het NT, vooral waar het om
ethische voorschriften gaat.
Lit. Uitgave en vertaling: A. Vaillant, Le Livre des Secrets
d'Hénoch. Texte slave et traduction française (Paris 1952).
[Beek]