(I). Israel (hebr. jiš'rā'ēl) is de naam die aan Jakob gegeven werd door het geheimzinnig wezen waarmee hij aan de Jabbok een nachtelijk gevecht had te leveren (Gn 32,23-33; Hos 12,5v) of door de God (Elohim) die hem te Betel verschenen was (Gn 35, 10). Beide malen staat deze naamsverandering in verband met de voorstelling van Jakob als stamvader van de zonen van Israel (vgl. Abram/Abraham; Gn 17,5). De volksetymologie verklaart de naam als 'strijder Gods' ('voortaan zult ge geen Jakob meer heten maar Israel; want ge hebt met God en met mensen gestreden en de overwinning behaald': Gn32,29). Als persoonsnaam, nu ook gevonden te Ugarit in de vorm jsril (vgl. Bb 38, 1957, 375), wordt L, hoewel niet dikwijls, afwisselend gebruikt met Jakob (Gn 37,3.13; 43,6.11; 46,1; 47,31; 48,10.13). Vaker komt I. voor in uitdrukkingen die de afstammelingen van Jakob beduiden: de zonen van I. (bv. Gn 32,32; Lc 1,16); het kroost van I. (1Kr 16,13; Neh9,2); het huis van I. (bv. Ex 16,31; Mt 10,6); de gemeenschap van de zonen van I. (Ex 12,3).
(II) Als naam van een volk of stam betekent I.:
(1) De familie van Jakob (Gn34,7; 47,27).
(2) De Israelieten in het OT in teksten die spelen tot aan de tijd van David en na de val van Samaria, en in het NT. Buiten de bijbel komt de naam L in die zin voor op de inscriptie van Mernephtah (ANEP nr. 342v), wanneer daar tenminste I. (en niet Jizreël) bedoeld is, en op munten uit de tijd van de makkabeeën.
(3) De burgers van het noordrijk, dus sinds
de tijd van David en vooral na het schisma; zie
nochtans 2Sm 1,24; 23,3. Als volksnaam staat de
I. ook in de uitdrukkingen: de oudsten, de vorsten,
de stammen, het volk, de koning, de God van I. In
de brieven van Paulus, die een I. 'naar het vlees' kent
(1Kor 10,18) betekent I. ook het nieuwe volk van
God (Rom 9,6; Gal 6,16).
Lit. R. de Vaux (DES 4, 729-777). W. Gutbrod (ThW 3, 356-394).
StB 3, 526. L. Rost, Israel bei den Propheten (Stuttgart
1937). G. A. Danell, Studies in the Name of Israel in the O.T.
(Uppsala 1946). M. Noth, Die Ursprünge des alten Israel im
Licht neuer Quellen (Köln/Opladen 1961). [v. d. Born]