Aartsengel komt als titel het eerst voor in Hen(gr)
20,7, waar de namen van zeven a.en genoemd worden.
In het NT komt de titel alleen voor in 1Th 4,16
(anoniem) en Jud 9 (Michaël). De latere christelijke
traditie rekent tot de a.en nog Gabriël (vgl. Dn 8,16;
9,21; Lc 1,19.26), Rafaël, volgens Tob 12,15 een van
de zeven geesten die voor de Heer staan (vgl. Openb
1,4; 5,6; 8,2), en Uriël (4Esdr4; Hen [gr] 9,1; 10,1;
20,2).
Lit. G. Kittel (ThW 1, 86).
[Bouwman]