Amos

Amos (hebreeuws 'āmōs), in het OT profeet, afkomstig uit Tekoa. Hij trad ca. 760 op bij het heiligdom van Bethel. Hier sprak hij tegen Israël en het huis van Jerobeam II. Bij die gelegenheid kwam hij in conflict met Amazia, de hogepriester van de rijkstempel.

Deze spoorde hem aan in Juda te profeteren om zijn brood te verdienen (7, 10-17). A. rekent zich niet tot de profetenzonen, maar noemt zich bōkēr (7,14) en wordt nōkēd (1,1) genoemd, woorden, die gewoonlijk vertaald worden met 'veehouder' en 'schapenfokker', maar ook kunnen duiden op een cultische functie. Uit het boek A. blijkt, dat de profeet gepredikt heeft tegen de weelde der rijken en de verdrukking der armen en ontrechten. Hij acht offerdienst zonder de werken der gerechtigheid waardeloos.

Het positieve centrum van zijn prediking is de gerechtigheid, die 'als een immer vloeiende beek' door het maatschappelijk leven van Israël moet golven (5,24).

Hoewel weinig bekend is van het leven van A. vóór en na zijn optreden bij Bethel, worden we door de profeet zelf uitvoerig geïnformeerd over de wijze, waarop hij tot zijn prediking gekomen is. Hij heeft de visioenen gezien van het naderend onheil als een sprinkhanenplaag, een verterend vuur en in de gestalte van de Heer, die als een metselaar met een paslood de breuken van een muur opneemt en besluit, dat deze niet meer te herstellen zijn. Bij het derde visioen blijkt ook zijn voorbede machteloos tegenover het oordeel, dat door de ongerechtigheid van het volk is opgeroepen (7,1-9). Later worden nog twee visioenen beschreven: dat van de korf met ooft (qajis) (8,1-3), die het einde (qēs) beduidt voor het volk en dat van de verwoesting van het altaar (9,1).

tekst
Het onheil, dat A. aankondigt heeft de vormen van oorlogsgeweld en wegvoering in ballingschap. Daarbij zal Israël, dat uit Egypte werd uitgeleid, zich niet op enige uitverkiezing kunnen beroepen, daar dezelfde God ook de Filistijnen uit Kaftor en de Arameeën uit Kir heeft gevoerd (9,7). De profeet houdt aan het volk voor, dat het gesteld is onder 'het juk van de schenkende en de eisende openbaring' (Buber). Geen ding wordt echter gedaan zonder dat de raad des Heren aan zijn knechten, de profeten, is geopenbaard (3,1-8).

De woorden van A. zijn overgeleverd door een verzamelaar, die in een opschrift dateerde zowel naar Uzzia van Juda en Jerobeam II van Israël als naar een aardbeving, die in zijn tijd blijkbaar als een cesuur in de geschiedenis werd opgevat. De eindredactie heeft de profetieën geordend en ze laten uitklinken in een visioen van heil. De echtheid van het laatste hoeft niet te worden bestreden, daar A. het geloof in de uitverkorenheid van zijn volk had behouden. Daarom kon totale ondergang niet de inhoud van zijn laatste woorden zijn.


Lit. De commentaren van C. van Gelderen (Kampen 1933), D. Deden (Roermond 1953), Th. H. Robinson² (Tübingen 1954). Comm. H. Wolff (Neukirchen/Vluyn 1969) - A. Neher, Amos. Contribution à l'étude du prophétisme (Paris 1950). V. Maag, Text, Wortschatz und Begriffswelt des Buches Amos (Leiden 1951). J. D. W. Watts, Vision and Prophecy in Amos (Leiden 1951). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen