Areopaagrede (Hand 17,22-31). Aanknopend aan
de inscriptie 'Aan een onbekende god' toont de a.
aan, dat de Schepper geen mensenhanden nodig
heeft (v. 24v); dat Hij zich laat vinden in de schepping
(v. 26v) en dat wij door Hem leven, bewegen
en zijn: weg dus met vergankelijke beelden (v. 28v)!
Na een periode van lankmoedigheid, die nu is afgesloten,
gaat God de mensheid oordelen door Christus,
die Hij als bewijs van zijn zending uit de doden
heeft opgewekt (v. 30v). Door dit woord over de
verrijzenis werd de a. een volledige mislukking. Volgens
Dibelius is de a. een literaire fictie van Lucas.
Uit een vergelijking met soortgelijke preken blijkt
echter, dat de a. het grondtype is van de missieprediking
voor de hellenistische joden, dat op zijn beurt
weer terug gaat op de joods-hellenistische propaganda
(vgl. Rom 1, 18-32).
Lit. M. Dibelius, Paulus auf dem Areopag (Sitzungsb. Heidelberg
1938/39, 2 = Aufsätze zur Apostelgeschichte* ed.
H. Greeven = FRLANT 60, Göttingen 1961, 19-70). G.
Schrenk, Urchristliche Missionspredigt im 1. Jh. (Abh. Theol.
A.u.N.T., Zürich 1954, 131-148). W. Eltester, Gott und die
Natur in der Areopagrede (BZNW 21, 1954, 202-227). H.
Hommel, Neue Forschungen zur Areopagrede (ZNW 46,
1955, 145-178). B. Gärtner, The Areopagus Speech and
Natural Revelation (Lund 1955). W. Nauck, Die Tradition
und Komposition der Areopagrede (ZThK 53, 1956, 11-56).
F. Mussner, Einige Parallelen aus den Qumrantexten zur
Areopagrede (BZ N.F. 1. 1957, 125-130). É. des Places,
'Ipsius enim et genus sumus' (Bb 43, 1962, 388-395). P..
Courcelle, Un vers d'Épimède dans le 'Discours sur l'Aréopage
(RÉG 70, 1963, 404-413). J. C. Lebram, Der Aufbau
der Areopagrede (ZNW 55, 1964, 221-243). [Bouwman]