Deze term werd sedert de 4e eeuw nC
gebruikt voor het christelijk doopbassin of
doophuis (andere termen: lavacrum, balneus,
-ea, fons, piscina; grieks o.a. φωτιστήριον). Reeds
in voor-christelijke tijd werd de term b. gebruikt
voor het bad in het frigidarium, bv. Plinius Minor,
Epistula 2,17 ,11. Aparte doopruimtes worden sinds
het begin van de 3e eeuw vermeld (vgl. Tertullianus,
De corona 3). Het oudst bekende b. is dat van Dura
Europos (vóór 256). De typen zijn uiteenlopend:
o.a. rechthoekig, zoals het vroegere huisbad (vooral
in Noord-Afrika), naar de centrale ruimte van
het profane frigidarium (maar met talrijke varianten,
vooral rond of octogonaal), verder apsis-baptisteria,
tri- of tetraconcha. Het doopbassin
lag overwegend in het centrum, maar wij vinden
ook andere vormen (bv. in Syrië). Aanvankelijk
bezaten de baptisteria één vertrek, naderhand ook
dikwijls ommegangen. Er konden dan vela gehangen
worden voor het ontkleden bij de doop. Ook
werd er wel een consignatorium voor het vormen
aangebouwd. Ze werden ofwel afzonderlijk bij een
kerk ofwel verbonden met een kerk gebouwd.
Lit. H. Leclercq (DAL 2, 382-469). Kraus (PRE 2, 839).F. W.
Deichmann (RAC 1, 1157-1167). - J. Zettinger, Die ältesten
Nachrichten über Baptisterien der Stadt Rom (Röm. Quartalschrift
16, 1902, 326vv). H. Koethe, Der frühchristliche
Nischenrundbau (Diss. Marburg 1928). G. B. Giovenale, II
battisterio Lateranense nelle recenti indagini della Pont.
Commissione di archeologia sacra (Rome 1929). F. J. Dölger,
Symbolik des Taufhauses (Antike und Christentum 4, 1934,
153-188). W. M. Bedard, Symbolism of the Baptismal Fout
(Washington 1951). A. Khatchatrian, Les baptistères paléochrétiens.
Plans, notices et bibliographie (Paris 1962).
[Bartelink]