Baruch

Baruch (hebr. bārūk, afkorting van bērekjāh: Jahwe is of zij geprezen), naam o.a. van B., zoon van Neria, broer van Seraja (Jr 51, 59), uit voorname familie, vertrouweling van de profeet Jeremia. In 605 dicteerde Jeremia hem alle woorden die hij in opdracht van Jahwe gesproken had (36, 4). Deze boekrol werd door B. verschillende malen in de tempel voorgelezen voor het volk (36, 8.10), later voor de autoriteiten (36, 11-19). Toen deze rol door koning Jojakim verbrand was, schreef hij de woorden ten tweede male op (36, 27-32). Als beloning voor zijn trouw voorspelde Jeremia hem de zegen van Jahwe (45, 1-5). B. nam ook de koopakte van de akker van Jerernia in Anatoth in ontvangst (32, 12-16). Na de val van Jeruzalem en de moord op Gedalja werd B. met Jeremia door de vluchtende Judeeërs naar Egypte meegenomen (43, 6); volgens bepaalde overleveringen zou hij daar gestorven zijn (Hieronymus). In het latere jodendom wordt hij beschouwd als de auteur van meerdere geschriften.

(1) Het boek Baruch, een deuterocanonisch geschrift, volgens het opschrift (1, lv) door B. na de verwoesting van Jeruzalem in Babylonië geschreven. Op de titel en een inleidend verhaal (1, 3-14) volgen twee gedichten. Het eerste (3, 9-4, 4) is didactisch: Israel moet terugkeren naar de bron van zijn geluk (de wijsheid, d.w.z. de wet). Het tweede (4, 5-5, 9) bevat troost- en klaagliederen, die gedeeltelijk identiek zijn met PsSal 11, 2-7. Het eerste deel zal in het hebreeuws geschreven zijn, misschien pas in de 1e eeuw vC; het tweede, eveneens in het hebreeuws, is misschien pas in het midden van de 1e eeuw nC ontstaan. Naar het schijnt heeft men geschriften die betrekking hadden op de verwoesting van Jeruzalem bij voorkeur aan Jeremia of B. toegeschreven (Kl, Brief), zo ook de brief van B. in de syrische B. apocalyps (zie sub 2). Het boek (afk. Bar) is enkel in griekse vertaling bewaard gebleven. Als aanhang (Bar 6) is met Bar een zogenaamde brief van Jeremia aan de ballingen in Babel verbonden. Zie Jeremia.

tekst


Comm. J. Knabenbauer (Paris 1891; 1907), L. A. Schneedorfer (Wien 1903), E. Kalt (Bonn 1932), V. Hamp (Würzburg 1950), A. Gelin (Paris 1951), A. Penna (Turijn 1953), B. Wambacq (Roermond 1957), W. Rothstein (Kautzsch 1, 213-225, Tübingen 1900), O. Whitehouse (Charles 1, 539-595, Oxford 1913).

Lit. W. Stoderl, Zur Echtheitsfrage von Bar 1-3 (Münster 1922). P. Heinisch, Zur Entstehungsgeschichte des Buches Baruch (ThG 20, 1928, 696-710). B. Wambacq, Les prières de Baruch et Daniel (Bb 40, 1959, 463-475; vgl. Id., Sacra Pagina 1, 455-460).


(2) De syrische Baruchapocalyps, een joods geschrift, verwant met 4Ezr, omstreeks 130 nC in het hebreeuws of aramees geschreven, volledig in het syrisch bewaard (de tekst in Ceriani, Monumenta Sacra et Profana 2, Milaan 1871, 5 en Graffin, Patrologia syriaca 1. 2, Paris 1907, 1056-1306), en slechts gedeeltelijk in het grieks (Charies, The Apocrypha and Pseudepigrapha of the O.T., Oxford 1913, 2, 470-526).

(3) De griekse Baruchapocalyps, een joods geschrift, in de oorspronkelijke vorm na 130 nC geschreven, maar omstreeks de 2e eeuwwisseling in uitgebreider, christelijke vorm uitgegeven; ook in slavische vertaling bewaard. De griekse tekst in M. R. James, Apocrypha Anekdota 2, Cambridge 1897, LI-LXXI. 84-94 .


Lit. J. B. Frey (DES 1, 418-423). W. Baars, Neue Textzeugen der syrischen Baruchapokalypse (VT 13, 1963, 476-478). [v. d. Born]


Afkortingen Lijst van Namen