Breken van het brood is een specifiek joodse uitdrukking,
onbekend in het profane grieks, voor het
openingsceremonieel van de maaltijd. De joden sneden
nl. het brood niet door, maar braken het (Jr
16,7; Kl 4,4; vgl. StB 2,619v; 4,621). Ook Jezus
volgde dit gebruik, zoals blijkt uit het verhaal van
de broodvermenigvuldiging (Mt 14,19; 15,36 e.p.).
Alle verhalen over de instelling van het avondmaal
vermelden dit gebaar en het leeft nog voort
in de var. lect. κλώμενον (1Cor 11,24). Naast 'eucharistie'
is b. een terminus technicus voor de viering
van het avondmaal (1Cor 10,16). Met grote
waarschijnlijkheid is in Hand 2,24.46; 20,7.11 het
avondmaal bedoeld, want in de joodse litteratuur
wordt b. nooit gebruikt voor een volledige maaltijd.
Minder zeker is deze betekenis in Lc 24,30.35, omdat
de leerlingen van Emmaus niet bij de instelling
tegenwoordig waren. Eveneens onzeker is Hand 27,
35, ofschoon het opmerkelijk is, dat Paulus het
brood niet verdeelt. In de latere christelijke litteratuur
wordt b. geleidelijk verdrongen door 'eucharistie';
vgl. echter Didache 14,1; Ign. ad Ef. 20,2;
ActPti 9,1; ActPIi 4,4; ActJo 72,106.109.110; ActThorn
27.29.50.121.133.158; Ps.C1em. bom. 14,1.
Lit. E. von Severus (RAC 2, 620-626). J. Behm (ThW 3,
726-743).
[Bouwman]