Christen (χριστιανός, afgeleid van χριστός gezalfde, met de lat. uitgang, die iemands partijganger aanduidt). De vorm van het woord wijst erop, dat de naam niet is gegeven door de joden, die Jezus niet als de Christus erkenden, noch ook door de ch.en zelf, die zich leerling, broeder, heilige, geroepene of gelovige noemden, maar door de romeinse magistraten, die de ch.en als een joodse sekte beschouwden.
Volgens Hand 11,26 ontstond de naam in Antiochië
rond het jaar 43. Er is geen reden om aan de
betrouwbaarheid van dit bericht te twijfelen. Men
treft het woord verder nog aan in Hand 26,28 en
1Pt 4, 16.
Lit. H. Karpp (RAC 2, 1131v). E. Peterson, Christianus
(Misc. Mercati 1 [Stud. Test. 121], Città del Vaticano 1946,
335-372).- E. J. Bickerman, The Name of Christians (Harv.
Theol. Rev. 42, 1949, 109-124). H. B. Mattingly, The Origin
of the Name Christiani (JThS N.S. 9, 1958, 26-37). C. Spicq,
Ce que signifie le titre de chrétien (Stud. Theol. 15, 1961,
68-78). N. Lifshitz, L'origine du nom des chrétiens (Vig.
Christ. 16, 1962, 65-70). [Bouwman]