Deuteronomium

Deuteronomium (grieks = tweede wet) is in de LXX de betiteling van het 5e boek van de pentateuch op grond van Dt 17,18 waar 'afschrift van de wet' is weergegeven met δευτερονόμιον. De Vulgata en vele andere vertalingen zijn de LXX met de titel D. gevolgd. In de hebreeuwse bijbel luidt het opschrift naar een der beginwoorden d'barim = woorden. Inderdaad biedt D. een herhaling van wetten, vermaningen en voorschriften, waarbij het boek zich voordoet als door Mozes gegeven aan het einde van de woestijnreis voordat de Israëlieten de Jordaan overstaken. Deze, door synagoge en kerk algemeen aanvaarde oorsprong van D. werd bestreden door De Wette in zijn Dissertatio Critica van 1805 door niet alleen - gelijk anderen voor hem - verband te leggen tussen D. en het wetboek dat volgens 2Kg 22 tijdens Jozia in de tempel te Jeruzalem gevonden werd, maar tegelijk te stellen dat D. ook in diezelfde periode in het midden van de 7e eeuw was ontstaan. In de kritische wetenschap van het OT is deze stelling algemeen aanvaard, al bleef er discussie over de vraag in hoeverre in het boek oudere en tot Mozes teruggaande bronnen verwerkt en herkenbaar gebleven zijn. Ook meende men in de numeruswisseling een kriterium voor bronnensplitsing te kunnen gebruiken. Het is opvallend, dat het volk in zijn geheel en de individuele Israëliet in de singularis worden aangesproken en het volk als conglomeraat van individuen in de pluralis.

Het sterkste argument voor De Wette's these is de parallellie tussen voorschriften van D. en de hervormingen die door Josia volgens 2Kg 23 werden doorgevoerd, met name wat betreft de centralisatie van de cultus in Jeruzalem. Weliswaar wordt in D. het noemen van de naam van Jeruzalem evenals in de gehele pentateuch nadrukkelijk vermeden, maar wel wordt voortdurend gezinspeeld op de plaats die God zal kiezen om er zijn naam te vestigen en er te wonen (12,5 e.a.) en dit hangt weer ten nauwste samen met de prediking van de éne God naast wie geen ander vereerd kan worden (4,35.39; 6,4; 12,4 e.a.). De opbouw van dit boek is gelijk aan die van andere oud-oosterse wetten. Er is een inleiding en een epiloog, die het complex van voorschriften omramen.

Tot de inleiding kan men 1,1-4,40 en 4,41-11,32 rekenen, de epiloog omvat 27-34 en daartussen vindt men een herhaling van wat reeds in het 'bondsboek' in Ex 20,12-23,33 gezegd is en, vooral van 20 af oorlogs- en familierecht. Er is een duidelijke aanpassing aan de nieuwe verhoudingen in een later tijdperk met name wat betreft de positie van de koning: 17,14-20, daarnaast een ruimere aandacht voor het sociale aspect der samenleving. Als plaats van oorsprong van D. is door Alt met sterke argumenten gepleit voor Noord-lsraël. Kenmerkend is een eigen deuteronomische stijl, die verwantschap met het taalgebruik van Jeremia vertoont.

In de proloog is de decaloog (5,6-21) opgenomen, in de epiloog het lied van Mozes (32), de zegen van Mozes (33) en de zg. vloektafel van 27,11-26, waarbij de gemeente een vervloeking uitspreekt over zonden in het verborgen, die zich aan de controle van de justitie onttrekken.

tekst


Theologisch is het boek D. vooral bepaald door de leer der twee wegen, die van gehoorzaamheid en die van ongehoorzaamheid aan de wet. Daarom stelt het zowel het volk als de individuele Israëliet voor een beslissende keuze: het leven en de dood, de zegen en de vloek (30,19). Deze leer is van grote invloed geweest op de geschiedschrijving, die geleid wordt door het beginsel van de vergeldingscausaliteit en in Ri 2,6-3,5 duidelijk geformuleerd is. Daarom spreekt men van een 'deuteronomistische' geschiedschrijving en meent men de hand van een 'deuteronomist' te kunnen herkennen in de historische boeken van het OT van Ri tot Kr. De beginselen van D. met hun grote nadruk op de handhaving van de wet zijn ook bepalend geweest voor de ontwikkeling van het jodendom als een godsdienst der gehoorzaamheid in de periode van de ballingschap.


Comm. S. R. Driver³ (Edinburgh 1902), C. Steuernagel² (Göttingen 1923), H. Junker (Bonn 1933), Id.4 (Würzburg 1965), G. E. Wright (Nashville 1953), P. Buis/J. Leclerq (Paris 1963). G. von Rad (Göttingen 1964), J. Ridderbos (Kampen 1964), H. Cazelles³ (Paris 1966).

Lit. J. H. Hospers, De Numeruswisseling in het boek D. (Diss. Utrecht 1947). M. Noth, tïberlieferungsgeschichte des Pentateuch (Stuttgart 1948). G. von Rad, Deuteronomium-Studien² (Göttingen 1948). S. Yeivin, The Date of Deuteronomy (Ginsberg's Jub. Vol. 1949, 31vv. hebr.). A. Alt, Die Heimat des Deuteronomiums (Kleine Schriften 2, 1953) 250-275. V. Maag, Erwägungen zur deuteronomistischen Kultzentralisation (VT 6 1956, 10-18). M. H. Segal, The Book Deuteronomy (JQR 48, 1957/8, 315-351). H. A. Brongers, Oud-oosters en bijbels recht (Nijkerk 1960) 191-202. E. Nicholson, The Centralisation of the Cult in Deuteronomy (VT 13, 1963, 380-389). J. N. M. Wijngaards, The Formulas of the Deuteronomic Creed: Dt 6,20-23; 26,5-9 (Leiden 1963). I. L. Seeligmann, A Psalm From Preregal Times (VT 14, 1964, 75-92). R. E. Clements, Deuteronomy and the Jerusalem Cult Tradition (VT 15, 1965, 300-312). J. Malfroy, Sagesse et Loi dans le Deutéronome (VT 15, 1965, 49-65). L. Rost, Das kleine geschichtliche Credo: Dt 26,5-11 (Das kleine Credo und andere Stüeke z. A.T., Heidelberg 1965, 11 -24). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen