Diaconissa (διακόνισσα), diacones, in de oude kerk een vrouw die voornamelijk met liefdezorg belast was. De term d. komt eerst in de 4e eeuw voor (canon 1,19 van het concilie van Nicea, 325), voordien was de aanduiding ἡ διάκονος. Door Paulus werd Phebe uit Cenchraeae als διάκονος aangeduid (Rom 16,1). Het is niet zeker of het hier een aanduiding van een functie betreft of slechts een algemene aanduiding. In 1Tim 3,11 is niet van echtgenoten van diakens sprake, maar van diaconessen. Een duidelijke aanduiding van een functie vinden wij ook bij Plinius Minor, Epistula 96,8: ex duabus ancillis, quae ministrae dicebantur. Kennelijk is hier 'diakonos', reeds een gangbare uitdrukking, door Plinius met ministra weergegeven.
De 4e eeuw is voor de d. de belangrijkste periode
geweest. Volgens canon 1,19 van Nicea ontving ze
geen handoplegging, aangezien ze geen ambtsbevoegdheden
bezat (vgl. ook Constitutiones apostolorum
6,17 ,4). Ze assisteerde bij de armenzorg en de
catechese. De bisschop maakte van haar diensten
gebruik voor de zalving van de vrouwen vóór de
doop. Later in de 4e eeuw kwam de handoplegging
toch voor (Basilius, Epistula 199,44; Hieronymus,
Epistula 51,2). Evenals van de d. vernemen we van
de 'weduwen', die in de christelijke gemeenten van
het oosten een speciale plaats innamen. Reeds vroeg
is de functie van de d. verdwenen, in de kerk van
het westen eerder dan in die van het oosten.
In het westen vinden wij ook de aanduiding 'diacona'.
D. duidt er ook soms de echtgenote van de
diaken aan.
Lit. H. Leclercq (DAL 4, 725-733). H. Beyer (ThW 2, 93).
A. Kalsbach (RAC 3, 917-928). - N. Bonwetsch, Das Amt
der Diakonissen in der alten Kirche (Mitau 1891). A. Kalsbach,
Die altkirchliche Einrichtung der Diakonissen (Röm.
Quartalschrift, Suppl. 22, 1922). J. Leipoldt, Die Frau in
der antiken Welt und im Urchristentum (London 1954) 201-211.
C. C. Ryrie, The Place of Women in the Church (New
York 1958).
[Bartelink]