Diaken (διάκονος, diaconus). In de christelijke literatuur na het NT vinden wij (afgezien van een meer algemene betekenis 'dienaar', 'bedienaar') d. òf naast πρεσβύτεροι (Didache 15,1) òf naast ἐπίσκοποι (Clemens Romanus 1, 42,4), dan sedert Ignatius van Antiochië in een drievoudige hiërarchie na ἐπισκοπος en πρεσβύτεροι op de derde plaats. Was de oorspronkelijke taak van de d. te zorgen voor het inzamelen en uitdelen van aalmoezen en het beheer van de kas van de kerkelijke gemeente, geleidelijk kreeg hij ook liturgische functies (met lokale variaties; zie bv. Constitutiones apostolorum 8, 28,2): lezing of zang van epistel en evangelie, aannemen van de offergaven van de gelovigen, assistentie van de priester bij het uitdelen van de communie (Justinus, Apologie 1,65-67) en bij de doop. Verder werden de d.s belast met het onderricht van de catechumenen.
Vooral door hun assistentie van de bisschoppen
in het materiële bestuur van de kerk kregen
ze dikwijls grote invloed. Verschillende synoden
hebben de bevoegdheden van de d.s omschreven en
beperkt (bv. 1e synode van Arles in 313, can. 15).
De d. werd gewijd door de bisschop door handoplegging
(Hippolytus, Traditio apostolica 9; Constitutiones
apostolorum 8,17 ,2). Op grond van de overeenkomst
in functie met het levietenambt in het OT
werd de d. ook wel levita (λευίτης) genoemd, een
term die echter evenmin als minister terminus technicus
geworden is.
Lit. J. Forget (DThC 4, 703-731). H. Leclercq (DAL 4, 738-746).
J. Colson, Les fonctions ecclésiales aux deux premiers
siècles (Paris 1957). J. Dauvillier, Histoire du droit et des
institutions de l'Église en Occident 2 (ib. 1959). J. G. Davies,
Deacons, Deaconesses and the Minor Orders in the Patristic
Period (Journ. of Eccl. Hist. 14, 1963, 1-15). [Bartelink]