Epiclese (ἐπίκλησις), 'aanroeping bij de naam', speciaal
van God, dan ook 'gebed' in het algemeen; in
het bijzonder het gebed in de eucharistische anaphora,
waarmee de H. Geest wordt aangeroepen om
het brood en de wijn te veranderen in het lichaam
en bloed van Christus (in de oosterse liturgieën). Het
eerste duidelijke getuigenis vinden wij in de mystagogische
catechesen (5,7) van Cyrillus van Jeruzalem
(ca. 348 nC): hier vinden wij rudimentair reeds
de vorm zoals deze later in de oosterse liturgieën
gangbaar werd. In de syrische kerk (Jacobusliturgie)
vinden wij de e. na de instellingswoorden, in Egypte
(Marcusliturgie) vóór de instellingswoorden. Voor
het voorkomen van een H. Geest-e. in de romeinse
liturgie zijn geen bewijzen; wij vinden in het oude
gebed Quam oblationem slechts een bede tot God
om de offergaven te zegenen. Veel ouder dan de
eucharistische e. is de e. in ruimere zin: een gebed
waarbij de H. Geest wordt aangeroepen om doopwater
of olie ter zalving te zegenen.
Lit. F. Cabrol (DAL 5, 142-184). - A. Baumstark, Zu den
Problemen der Epiklese und des römischen Messkanons
(ThR 15, 1916, 337-350). J. Brinktrine, Zur Entstehung der
morgenländischen Epiklese (Z.f. kath. Theol. 42, 1918, 301-326;
483-518). id., De Epiclesis Eucharisticae origine (Rome
1923). O. Casel, Neue Beiträge zur Epiklesenfrage (JL 4,
1924, 169-178). J. Jungmann, Missarum Sollemnia 2 (Wien
1948) 232-236. [Bartelink]