Jahwisme is een term, afgeleid van de omstreden uitspraak Jahwe voor het tetragrammaton JHWH, die bedoelt het unieke van het geloof van Israël uit te drukken. De betiteling is juist in zoverre het onvergelijkbare van dit geloof naast de religies van de buurvolken van Israël gegeven is met de geheel enige plaats die JHWH inneemt als 'Macht en Wil'. De belijdenis 'Hoor Israël, JHWH is onze God, JHWH is enig' (Dt 6,4) drukt dit uit, wanneer we tenminste het woord 'enig' in de veelvoudige betekenis van het hebreeuwse 'ehaad' verstaan. Geen andere macht kan de plaats van JHWH innemen, geen koning, geen voorvader, geen beeld, geen naam. Daarom is er in het geloof van Israël geen spoor van vergoddelijking van de koning, wordt iedere dodencultus in de ban gedaan, mag geen beeld (ook niet van JHWH) als voorwerp van verering worden opgericht en is de Naam onuitspreekbaar. De hymnische namen waarmee JHWH wordt aangeroepen hebben een betekenis, die meer is dan die van een epitheton ornans. Al deze namen hangen samen met de uitspraak van JHWH zelf dat Hij is qänä (bv. Ex 20,5) d.w.z. jaloers in deze zin, dat naast Hem geen andere god of godin vereerd mag worden.
Het j. heeft religieuze gewoonten van de omgeving overgenomen en daaraan een nieuwe zin gegeven, gewoonlijk door die toe te passen als herhalingen van gebeurtenissen tijdens de uittocht uit Egypte en de doortocht door de woestijn. Men heeft religieuze gebruiken gehandhaafd als aan Mozes geopenbaarde voorschriften. De profeten zijn echter bijzonder gevoelig gebleven voor infiltraties, die, omdat ze geworteld waren in de levende religie der Kanaänieten, een ondermijnende invloed konden hebben op de zuivere eredienst voor JHWH. Daarom toornen ze tegen de verering van goden en godinnen van de vruchtbaarheid (Hosea) en kunnen zij een strijdzaak maken van gebruiken, die uit de verte onschuldig lijken zoals het bakken van koekjes met de beeltenis van de hemelkoningin (Jr 7 ,18; 44,15-19). Dat de assimilatie altijd sterk is geweest blijkt uit zuiveringsacties, die geïnspireerd door de profeten uitgevoerd werden door koningen als Hiskia en Josia (2Kg 18,4; 23,4-27) in Jeruzalem. De beschrijving van deze acties toont aan hoe bont het beeld is geweest van de religie van Israël, die we moeten onderscheiden van het geloof der profeten. Dat religieuze praktijken, in strijd met het j., ook tijdens de ballingschap zelfs in de tempel van Jeruzalem werden bedreven, is door Ezechiël beeldend en levendig beschrevgm (Ez 8). Het is begrijpelijk dat het exclusivisme van het j. moest tenderen naar één plaats van verering. Deze plaats kan volgens een in Dt veel voorkomende uitdrukking slechts daar gevestigd zijn waar JHWH verkiest te wonen, d.w.z. daar waar de ark zich bevindt en dat is sinds Davids optreden in Jeruzalem.
Het exclusieve karakter van JHWH wordt weerspiegeld
in dat van Israël, het uitverkoren volk. De heiligheid
van JHWH, de jaloerse, hoort door het uitverkoren
volk te worden gerealiseerd. Het gaat gebukt
onder 'het juk der schenkende en eisende openbaring'
(Buber) en geeft door zijn heilig isolement
een teken aan de volken. Dit sluit echter een roeping
voor deze volken niet uit (Is 49,6) en evenmin is het
heil, dat in het j. geschonken is, voor eeuwig aan de
heidenen onthouden (Is 56,1-8). Het j. is niet aan
één plaats, ook niet aan Jeruzalem gebonden. Het
heeft sterk de nadruk gelegd op de leiding, die de
Schepper geeft aan de geschiedenis en deze vervlechting
van natuur en geschiedenis, die een zo
grote rol speelt in de prediking van Jeremia (31,3537)
heeft het geloof van Israël tijdens de ballingschap
gered. De tijdelijke ondergang van Jeruzalem
en de tempel was geen bewijs van de onmacht van
JHWH, maar een teken van de toorn van JHWH
over zijn volk, dat zich niet aan Hem had toevertrouwd
en zijn wil niet had volbracht. Deze conceptie
heeft aan het j. een unieke plaats en een blijvende
betekenis gegeven te midden van de godsdiensten
der wereld.
Lit. J. de Groot-A. R. Huist, Macht en Wil (Nijkerk z.j.).
C. L. Labuschagne, The Incomparability of Yahweh in the
Old Testament (Leiden 1966). M. Buber, Der Glaube der
Propheten (Zürich 1950). G. W. Ahlström, Aspects of Syncretism
in Israelite Religion (Lund 1963). [Beek]