1. Dit bijbelboek wordt terecht gezien
in verband met de pentateuch. Daarom spreekt men
sinds A. Geddes (1737-1802) van een 'hexateuch',
ook al is het duidelijk dat de pentateuch altijd een
zelfstandige bundel is geweest en gebleven. J. is
echter duidelijk onderscheiden van de volgende
bijbelboeken door het veelvuldig voorkomen van
de namen Mozes en Jozua, die later nauwelijks meer
vermeld worden. Bovendien is er een waarneembare
afhankelijkheid van Ex, Nm en Dt, vooral van het
laatste boek, niet alleen literair maar ook inhoudelijk
wegens de zware nadruk die gelegd wordt op de
gehoorzaamheid aan het gebod van JHWH als
voorwaarde voor een ongestoord verblijf in Kanaän.
2. De structuur van J. is doorzichtig: de stammen van Israël trekken over de Jordaan en deze gebeurtenis wordt beschreven en beleefd als een tweede Paaswonder (1-5). De verovering van Jericho, voorbereid door de twee verspieders (2) en van Aï (6-8), waarin het verhaal van Achan is gevoegd als illustratie van de betekenis van de ban, wordt gevolgd door de afkondiging van de wet Gods tussen Ebal en Garizim. Hierop volgt de geschiedenis van het verbond met de Gibeonieten (9), het verhaal van de slag bij Gibeon (10) en van de veroveringen in het zuiden en noorden (11-12). De 'formgeschichtliche' methode heeft gewezen op het veelvuldig voorkomen van de uitdrukking 'tot op de huidige dag'. Alt meende daarom dat J. vooral is opgebouwd uit wat hij noemde 'aetiologische sagen', die aandacht trekkende verschijnselen in het heden op anekdotische wijze trachten te verklaren uit gebeurtenissen in het verleden (4,9; 5,9; 6,25; 7,26; 8,29, 27; 10,27).
Het tweede deel van J. houdt zich bezig met de verdeling van het land over de stammen en biedt een groot aantal geografische gegevens, die wat betreft Juda (15) en Benjamin (18,11-20,28) nauwkeuriger zijn dan van de noordelijke en overjordaanse stammen. Over de datering van de grensbeschrijvingen zijn de meningen verdeeld van voor-davidisch (Noth) tot exilisch. Het geografische deel sluit af met de aanwijzing van asiel- en priestersteden (2021) en de terugkeer van Ruben, Gad en half Manasse naar het Overjordaanse (22). De laatste hoofdstukken bevatten de afscheidsrede van J. (23) en de beschrijving van de verbondsvernieuwing in Sichem (24).
3. Het is duidelijk dat het boek J. in de tegenwoordige
vorm een lange ontwikkeling achter de rug
heeft al maakt de laatste redactie de indruk van
massiviteit. Stof van zeer verschillende aard is in
dienst gesteld van een boek dat zijn functie o.a. ontleent
aan de behoefte een overgang te bieden tussen
de pentateuch en de latere historische boeken.
De tekst van LXX verschilt aanmerkelijk van die
van de hebreeuwse bijbel en de vermoedelijke oorzaak
van dit verschijnsel is het gebruik van een
andere en kortere oertekst.
Lit. Commentaren: A. Cohen (London 1950). B. Alfrink
(Roermond 1952). M. Noth² (Tübingen 1953). J. Gray (London/Edinburgh
1967). J. H. Kroeze (Kampen 1968). J. A.
Soggin (Neuchâtel 1970). - H. H. Rowley, From Joseph to
Johua (London 1950). A. Alt, Die Landnahme der Israeliten
in Palästina (KS 1, München 1953, 89-125). M. Weippert,
Die Landnahme der israelitischen Stämme (FRLANT 92,
1967). B. van Oeveren, De vrijsteden in het OT (Kampen
1968). H. M. Orlinsky, The Hebrew 'Vorlage' of the Septuagint
of the Book of Joshua (VTS 17, 1968, 187-195). S.
Yeivin, The Israelite Conquest of Canaan (Leiden 1969).
[Beek]