Leviticus is de naam die de Vg gegeven heeft aan het derde boek van de pentateuch, een latinisering van de griekse titel van λευιτικόν in de LXX. De hebreeuwse titel is naar het eerste woord wajjiqrā' = en hij riep.
Het boek bevat voorschriften, voor een belangrijk deel betreffende de cultus, in het kader van een openbaring aan Mozes. De inhoud kan als volgt verdeeld worden: over de offers (1-7), over de wijding van de priesters (8-10), over rein en onrein (11-15), over de verzoendag (16), de heiligheidswet (17-26), de tarieven van gelofteoffers (27). Men neemt aan dat Lv deel uitmaakt van een groter complex van wetten waarvan het begin reeds in Ex 25 te vinden zou zijn.
Enkele passages van het boek zijn van blijvende
betekenis. Dit geldt in het bijzonder voor 19,11-18
waarin het algemeen zedelijke moment, ofschoon
bepaald door de heiligheid Gods, op de voorgrond
treedt, eindigend met: 'heb uw naaste lief als uzelf'.
In de heiligheidswet is ook de serie opgenomen,
waarin geslachtsgemeenschap met verwanten wordt
verboden, tekens beginnend met de woorden 'ge
zult niet ontbloten de schaamte van ...' (18,6-17),
met een vervolg waarin nog nadere voorschriften
worden gegeven voor het bewaren van seksuele reinheid.
De gebruiken van de verzoendag (16), in feite
een reiniging van het heiligdom en van het volk,
karakteriseren het boek: enerzijds een legalisering
van gebruiken, die oorspronkelijk niets met Israëls
godsdienst te maken hebben, zoals het wegzenden
van de zondebok, anderzijds nadruk op de verzoenende
kracht van het bloed. Tegen deze achtergrond
zal men de prediking van het NT met betrekking
tot het bloed van Christus moeten verstaan, bij Paulus
en in Hb.

Bij nader toezien blijkt het complexe karakter van
Lv, waarin zeer oude godsdienstige gebruiken zijn
opgenomen, terwijl er toch alle reden is de eindredactie
toe te schrijven aan een priesterlijke auteur
in de babylonische ballingschap. Het laatste wordt
door verwantschap met passages in Ez bevestigd.
Daarom is de datering een onoplosbaar probleem.
Er zijn duidelijk zichtbare naden in de overlevering
en deze zullen aanleiding blijven tot een splitsing in
tradities, waarvan de herkomst verloren gaat in een
ver verleden, en het eigenlijke priesterlijke geschrift
(P) waarin zij verwerkt werden.
Lit. Commentaren: W. H. Gispen (Kampen 1950). J. G. Vink
(Roermond 1962). K. Elliger (Tübingen 1966). N. H. Snaith
(London 1967). - R. Rendtorff, Die Gesetze in der Priesterschrift
(Göttingen 1954). H. Graf Reventlow, Das Heiligkeitsgesetz
formgeschichtlich untersucht (Neukirchen 1961).
[Beek]