Seraf (hebreeuws sārāf), volgens Js 6,1-7 de naam
van een engel met zes vleugels die voor de troon
van God staat. Hij wordt voorgesteld met menselijke
trekken. Daarom mag men de s. ook niet op
een lijn stellen met de vurige en giftige slang van
Nm 21,6-9 en Dt 8,15, al betekent het hebreeuwse
woord saaraf 'branden'. Volgens Js 14,29 en 30,6 is
de s. een vliegende slang; in Hen 61,10 en 71,6
staat hij tussen kerubs en engelen. In het NT wordt
hij niet vermeld. De griekse transcriptie σεραφειν
(meervoud!) heeft het woord 'serafijn' doen ontstaan.
[Beek]