Ai (hebreeuws ha'aj: de ruïneheuvel) was volgens
de in Joz7,2-8,29 bewaarde overlevering een kanaänitische
stad, die door Jozua veroverd en 'tot een
puinhoop voor altijd' gemaakt werd. De stad wordt
gelokaliseerd ten zuidoosten van Bethel op een
plaats, die door de Arabieren Et-Tell genoemd
wordt. De Abraham-traditie
legde een verband tussen A. en Bethel (Gn 12,8 en
13,3). Opgravingen in Et-Tell hebben aangetoond,
dat hier ca. 2500 een stad uit de vroege bronstijd
heeft gebloeid, die reeds vóór 2000 in puin lag. Afbeelding
van een merkwaardig cultusvoorwerp in
ANEP nr. 584. Eerst weer in een periode, lang na de
verovering van het land door Jozua, bestond op dezelfde
plaats een kleine nederzetting. Daarom houdt
men het bericht in Jozua voor een aetiologische sage,
die bij A. werd overgeleverd (school Alt-Noth), of
de lokalisatie voor betwistbaar (Albright).
Lit. J. Marquet-Krause, Les Fouilles de 'Ay (Et-Tell) (Paris
1933-1935, 1949). A. Alt, Jozua (Kleine Schriften 1, München
1953, 176-192). J. Grintz, 'Ai which is beside Beth-Aven'.
A re-examination of the identity of 'Ai (Bb 42, 1961, 201-216).
[Beek]