
Dijala, moderne naam van een zijrivier van de Tigris
(sumerisch Dur-ul; akkadisch Mē-Turnat), die ontspringt
op het west-iraanse bergland en door de uitlopers
van de Djebel Hamrin (ten N.) en de Zagros
(ten Z.) zuidwaarts stroomt, om ca. 20 km ten Z.
van Bagdad in de Tigris uit te monden. De D., gevoed
door winterregens en in mindere mate door
smeltende sneeuw, is sinds prehistorische tijden door
een steeds groeiend net van irrigatiekanalen dienstbaar
gemaakt aan de bevloeiing van de vroeger
vruchtbare Dijala-vlakte. Hier werden zeker sinds
het einde van het 4e millennium vC talrijke dorpen
en steden gesticht, met een dichtste bevolking tijdens
de nieuw-babylonische, parthische en sassanidische
periode (ca. 600 vC tot 600 nC). Archeologische ontdekkingen
hebben o.a. belangrijke ruïnes uit het 3e
en 2e millennium vC aan het licht gebracht, als Tell
Asmar (Esnunna), Iscali (Nerebtum), Chafajah (Tutub
en Dur-Samsuiluna) en Tell Agrab. De amerikaanse
opgravers van deze streek aan de zuidzijde
van de benedenloop van de D. gebruiken in hun publicaties
hiervoor de naam 'D. Region'. Cultuurhistorisch
gezien vertoont het gebied, dat o.a. een voorpost
was van de sumerische beschaving, een aantal
eigen trekken (in dialectverschillen, sculptuur, ceramiek
- de zg. 'scarlet-ware'). Het vormde een belangrijke
verbindingsschakel met Iran.
Lit. A. Parrot, Archéologie Mésopotamienne 1 (Paris 1946,
369v: 'Les fouilles dans la Vallée de la D. et sur le Moyen
Tigre; met lit.). P. Delougaz, Pottery from the D. Region
(OIP 63, Chicago 1952). T. Jacobsen, Summary of a Report
by the D. Basin Archaeological Project (Sumer 14, 1958, 7989).
R. McC. Adams, Land Behind Baghdad. A History of
the Settlement in the D. Plains (Chicago 1965). Abu al-Soof,
The Relevance of the D. Sequence to South-Mesopotamian
Sites (Iraq 29, 1967, 133-142).
[Veenhof]