Hidzjaz

kaartHidzjaz (arabisch higāz: barrière), landstreek in Noordwest-Arabië die zich uitstrekt van de Golf van Akaba (Elath) tot Asir. Uit de pre-islamitische tijd is van dit gebied niet veel bekend. Zoveel is echter zeker dat reeds vroeg de steden Jatrib (later Medina genoemd) en Mekka ontstonden. Ptolernaeus (Geographia ed. Nobbe 6,7 § 31v) noemt ze onder de naam Jathrippa en Macoraba als reeds lang bestaande plaatsen. De eerste stad bestond voornamelijk van de landbouw, de tweede van de karavaanhandel, waarmee de produkten van Zuid-Arabië naar Mesopotamië, Egypte en Palestina werden vervoerd.

Het leven in de H. werd beheerst door stamtegenstellingen, die dikwijls aanleiding gaven tot jarenlange strijd. Heilige maanden in de lente, waarin niet gevochten mocht worden, zorgden voor de noodzakelijke staking van de vijandelijkheden. Jaarmarkten boden gelegenheid tot ruiling van de produkten.

Tevens werden pelgrimstochten ondernomen naar beroemde heiligdommen als de Ka'ba te Mekka. Binnen de stammen namen de dichters, die geacht werden onder bovennatuurlijke invloed te staan, een grote plaats in. Ze vormden de publieke opinie, hielden de bekendheid met de historie levendig, bezongen de grootheid van de eigen stam en kleineerden die van andere stammen. Van een theologie, mythologie of kosmogonie vernemen we niets. Objecten van verering waren bronnen, o.a. de Zamzanbron in Mekka, holen, heilige stenen, o.a. de meteoorsteen die ingebouwd was in de Ka'ba te Mekka. De steden kenden de verering van godheden. Zo werd in de stad Ta'if de godin al-Lat vereerd, door Herodotus Alilat genoemd; in Qudaid (tussen Mekka en Medina) al-Manāh; in Nachla (ten oosten van Mekka) al-'Uzza (de morgenster; Venus); in Mekka Hubal en als oppergod Allah.

Reeds in oude tijden, volgens sommigen al tijdens de neobabylonische koning Nabonidus (556-539 vC), vestigden zich joodse kolonies in de H., met name in Tema, Dedan, Fadak, Chaibar en Medina.


Lit. Ph. K. Hitti, History of the Arabs (London 1937) 87-108. K1inke/Rosenberg, Das Götzenbuch, Kitab al-Asnam, des Ibn al-KaIbi (Leipzig 1941). C. J. Gadd, Harran Inscriptions of Nabonidus (Anatolian Studies 8, 1958, 79-86). M. Höfner, Stammesgruppen Nord- und Zentral-Arabiens in vorislamitischer Zeit (Wörterbuch der Mythologie 1, Stuttgart 1965, 419-481). G. Rentz, al-Hidjaz (Encycl. of Islam 3, 1966, 362-365). P. Fadh, Le panthéon de l'Arabe centrale (Paris 1968). D. S. Attema, Het gebed van Nabonidus (Schrift en Uitleg, Kampen 1970, 15-18). H. Gese/M. Höfner/K. Rudolph, Die Religionen Altsyriens, Altarabiens und die Mandäer (Stuttgart/Ber1in/Köln/Mainz 1970). [Attema]


Kaart