
Karatepe (turks: zwarte ruïneheuvel), in de provincie
Adana in het zuiden van Turkije aan de rivier de
Ceyhan (Pyramus) gelegen, in 1946
door H. Th. Bossert ontdekt en sinds 1947 door deze
geleerde met medewerking van H. (Çambel en U. B.
Alkim in opdracht van de Türk Tarih Kurumu opgegraven.
Boven een oudere bouwlaag werd, vermoedelijk
tussen 730 en 710 vC, door Asi-Tiwatas,
een inheemse heerser, K. als een fortificatie tegen
binnen- of buitenlandse vijanden in haast aangelegd
en slechts korte tijd bewoond. De vesting kan
als een van de laatste voorbeelden gelden van de
terecht vermaarde hethitische vestingbouw. Het geheel
wordt omgeven door een muur met 28 rechthoekige
bastions op een onderlinge afstand van 1723
m; twee poortgebouwen zijn met reliëfs versierd.
Binnen de muur werd een gebouw in hilani-structuur
opgegraven.
K. is vermaard geworden door de bilinguis van Asi-Tiwatas (Azitawadda), een tekst, die in beide poorten zowel in een phenicische als in een hiërogliefisch-hethitische versie was aangebracht. De bilinguis bleek van groot belang voor de ontcijfering van de z.g. hethitische hiërogliefen, waarmee in feite luwische teksten geschreven worden. Vooral de kennis van de woordenschat werd aanzienlijk uitgebreid, terwijl onderlinge vergelijking van de varianten in de beide hiërogliefische versies het mogelijk maakte de waarden van vele tekens definitief te doorgronden.
Het lijkt aannemelijk dat een phenicische schrijver
op wens van de luwische opdrachtgever het origineel
heeft vervaardigd en dat de tekst nadien in het
luwisch werd vertaald. In de inleiding zegt Asi-Tiwatas
na enkele epitheta, die zijn relatie tot de
Zonnegod en de Stormgod bepalen, maar zonder
een genealogie te vermelden dat 'Awarikus, koning
van Adana, hem groot gemaakt heeft' (opgevoed (?)
heeft). Deze Awarikus heeft men met Urikki geïdentificeerd,
die in de teksten van de assyrische koning
Tiglatpilesar III (745-725 vC) als koning van Que
(in assyrische teksten de benaming van de cilicische
vlakte) aangeduid wordt. Uit verscheidene
passages blijkt dat Asi-Tiwatas Adana - de traditionele
hoofdstad van deze streek - beheerst heeft.
Asi-Tiwatas merkt eveneens op dat hij 'goed gehandeld
heeft ten opzichte van het nageslacht van zijn
meester en hem heeft doen plaatsnemen op de vaderlijke
troon'. Daarom lijkt het waarschijnlijk dat
Asi-Tiwatas Awarikus als regent (voor minderjarige
kinderen?) over geheel Que heeft opgevolgd.
De reliëfs op orthostaten van de beide poortgebouwen
zijn zuiver artistiek gesproken van weinig
belang. Op stilistische gronden worden zij in twee
groepen verdeeld, I en II, waarvan I vooral bij de
noordelijke poort is geconcentreerd en II gelijkelijk
verdeeld is over beide poortgebouwen, noord- en
zuidpoort. De poortfiguren (leeuwen en sphinxen)
worden door Orthmann met groep I verbonden.
Naast een voortzetting van inheemse tradities constateert
men een aramese invloed, die eveneens in
Sendzjirli en Sakçagözü waarneembaar is.
Als een alternatief voor de boven gegeven datering
wordt door sommige archeologen (R. D. Barnett,
D. Ussishkin) en philologen-historici (E. Gordon en
A. Goetze) aan de 9e eeuw vC gedacht, waarbij zij
dan stellen dat meerdere vorsten de naam Awarikus
gedragen kunnen hebben. Ook wordt verdedigd dat
niet het phenicisch, maar het luwisch de oorspronkelijke
taal van de inscriptie geweest zou zijn.
Lit. P. Meriggi, Manuale di Eteo Geroglifico II, Testi-la
Serie (Incunabula Graeca 14, Roma 1967), 72-100 (bilinguis).
H. Çampbel (Oriens 1, 1948, 147-162). P. Matthiae, Studi sui
Rilievi di Karatepe (Stud. Sem. 9, Roma 1963). W. Orthmann,
Untersuchungen zur späthethitischen Kunst (Bonn
1971), passim (reliëfs). W. Orthmann, ib. 211-217 (geschiedenis).
[Houwink
ten Cate]