Marib

Marib, tegenwoordig een dorp in Zuidwest-Arabië met 600 à 700 inwoners, gelegen oostelijk van San'a temidden van zandvlakten, was vroeger een bloeiend centrum van karavaanhandel, omgeven door weelderige oasen en hoofdstad van het rijk der Sabeeën.

In de vorige eeuw (19e) kregen slechts drie Europeanen gelegenheid de ruïnes te bezoeken, nl. Arnaud (1843), Halévy (1869) en Glaser, welke laatste tussen 1882 en 1894 viermaal een reis naar Zuid-Arabië ondernam. In onze eeuw werden er tussen december 1950 en februari 1952 opgravingen verricht door een amerikaanse expeditie, uitgaande van de American Foundation for the Study of Men, onder leiding van W. F. Albright. Zij hield zich vooral bezig met het opgraven van de bij de stad gelegen tempel Awwam.

M. ligt aan de noordelijke oever van de wadi Dhana en was in de oudheid beroemd om de dam met daarbij aansluitende sluiswerken die de bewoners in deze wadi hadden aangelegd. Wanneer de wädi zich bij heftige regenval met water vulde, werd het tegen de dam opstuwende water via de sluizen door een vernuftig systeem van irrigatie via kanalen en sluizen naar de akkers langs de beide oevers geleid. Bovendien hadden de bewoners ook dergelijke irrigatiewerken aangelegd bij de wadi es-Sa'ila, die noordelijker stroomde, zodat het gehele gebied rijkelijk water kreeg. Zo ontstonden er aan beide zijden van de wadi Dhana uiterst vruchtbare oasen. De Qur'an vertelt hiervan wanneer hij in S. 34,15 spreekt van 'tuinen ter linker en rechter zijde die de Sabeeën eens bezaten.' De aanvang van de werkzaamheden aan de dam kan op ongeveer 750 vC gesteld worden. Welke grote inspanning de instandhouding en reparatie van de dam meebrachten blijkt uit een inscriptie van 440 nC, welke meedeelt dat er een mankracht van 20.000 man nodig was voor het herstel van de gebroken dam. Ook in 542 horen wij van een herstel van de dam, maar omstreeks 575 moet een definitief verval zijn ingetreden, daar de toestand tijdens Mohammeds optreden, blijkens de zo juist aangehaalde plaats uit de Qur'an, reeds zeer desolaat was.

Op ongeveer 4 km zuidoostelijk van M. aan de overzijde van de wadi Dhana lag de tempel Awwam. De moslims noemen hem Haram Bilkis, daar het volgens moslimse overlevering het heiligdom geweest is van Bilkis, de konigin van de Sabeeën die Salomo bezocht. Een grote ovale muur omgeeft de heilige ruimte, waartoe men aan de westkant toegang kreeg door een eenvoudige deur. De hoofdingang lag echter aan de noordzijde. Daar was een grote hal gebouwd, die een uitgang had naar het heiligdom. De hal was omgeven door een zuilengang van 32 pilaren, terwijl de muren van boven voorzien waren van 64 blinde ramen. Aan de hal ging een kleinere hal vooraf, terwijl daarbuiten 8 zuilen stonden opgesteld. Aan de oostkant lag een mausoleum. De ovale muur dateert wat zijn oudste bestanddelen betreft uit omstreeks 650 vC terwijl de westelijke deur en de intreehal omstreeks 425 gebouwd moeten zijn.

Naast deze tempel zal de stad, die in de oudheid een oppervlakte van omstreeks 1 km² gehad zal hebben, nog andere tempels rijk geweest zijn. Beroemd was ook de koningsburcht Salhïn, doch ook dit zal een van de vele burchten geweest zijn die de stad bezat. Opgegraven is tot nu toe alleen de tempel Awwam en deze ook nog maar ten dele. De bodem moet, naar Glaser opmerkte, stellig onvermoede schatten bevatten .


Lit. Sammlung E. Glaser 1., E. Glasers Reise nach M. ed. D. H. Müller und N. Rhodokanakis (Wien 1913). A. Grohmann (Enzyklopädie des Islam 3, 1936, 304-318). Richard LeBaron Bowen Jr., Irrigation in Ancient Qataban in R. LeBaron Bowen Jr./Frank P. Albright, Archaeological Discoveries in South Arabia (Baltimore 1958) 70-76. Fr. P. Albright, Excavations at M. in Yemen (ib. 215-295). A. Jamme, Sabaean Inscriptions from Mahram Balqis (Baltimore 1962) 333. J. Pirenne. Notes d'archéologie sud-arabe. Le péristyle du temple de M. d'après les fouilles de 1951/ 1952 (Syr 46, 1969, 293-318). Id., L'exhaussement du mur du temple de M. (Syr 48, 1971, 179-186). [Attema]


Kaart