
Sodom (hebreeuws sedōm, LXX Σοδομα), niet meer
te localiseren stad op de zuidwestelijke oever van
de Dode Zee, woonplaats van Abrahams neef Lot
(Gn 13, 12v). Wegens haar zedeloosheid werd zij
samen met Gomorra verwoest (Gn 18,20 19,29).
De slechtheid van de inwoners van S. werd
in het OT spreekwoordelijk (Dt 32,32; Jr 23,14),
de verwoesting een type van goddelijke strafgerichten
(Dt 29,22; Js 1,9; Jr 49,18; Ps 11,6). Een
bekend element uit het Gn-verhaal is dat Lots
vrouw, die met man en beide dochters vluchtte,
tegen het uitdrukkelijke verbod in omkeek en in
een zoutzuil veranderde. De naam S. is bewaard
gebleven in de arabische naam van het zoutgebergte
bij de Dode Zee, de ğebel usdum.
[Beek]