Coniunctivi in bijzinnen

1. Coni. finalis


Na voegwoorden als ut = opdat, ne = opdat niet, quo = opdat daardoor, des te

Te oro, ut eum iuves = Ik smeek je hem te helpen (dat je hem helpt).

Op kan dus soms in het Nederlands weggelaten worden!

N.B.
a. na verba impediendi zoals impedire = verhinderen, recusare = weigeren komen voegwoorden als ne of quominus = dat, om te

Plura ne scribam, dolore impedior
Ik word door verdriet belet meer te schrijven (dat ik meer ...).

b. na verba timendi zoals timere, metuere, vereri = vrezen komen voegwoorden als ne = dat,

ne non = dat niet.

Timeo, ne veniat
ik vrees dat hij komt.

c. na een betrekkelijk vnw.

Legatus equites Romam misit, qui nuntiarent consulem vicisse
De onderbevelhebber zond ruiters naar Rome om te berichten dat de consul de overwinning had behaald.


2. Coni. consecutivus


na voegwoorden als ut = zodat, ut non = zodat niet;

centurio multis vulneribus confectus erat, ut iam se sustinere non posset
de centurio was door vele wonden uitgeput, zodat hij zich niet meer staande kon houden.

meestal staat in de hoofdzin een woord dat zo betekent of bevat: tantus = zo groot, talis = zodanig,

tot = zoveel, sic, ita, tam, adeo = zo;

hij komt ook voor na bepaalde uitdrukkingen zoals fit ut = het gebeurt dat

soms na een betrekkelijk vnw. met daarvoor is, ea, id of sic, talis = zo(danig)

Non is sum, qui id tolerem = Ik ben niet zo dat ik dit tolereer.

ook bij bepaalde uitdrukkingen: sunt qui = er zijn er die, est quod = er is reden dat

Sunt qui dicant hoc verum non esse = Er zijn mensen die beweren dat dit niet waar is.


3. Coni. causalis


na voegwoorden als cum = omdat

Quae cum ita sint, proficiscemur
Omdat dit zo is, zullen we vertrekken.

N.B. bij voegwoorden als quod, quia, quoniam = omdat komt normaliter een indicativus, behalve in het geval dat hij een subjectieve reden aangeeft.

Domi manet, quod aeger est
Hij blijft thuis, omdat hij ziek is. (objectief = waar)

Domi manet, quod aeger sit
Hij blijft thuis, omdat hij, naar hij zegt, ziek is
. (subjectief)


4. Coni. concessivus

na voegwoorden als cum, licet = ofschoon

Fremant omnes licet, dicam quod sentio
Ook al morren zij allen, ik zal zeggen wat ik meen

soms na voegwoorden als quamquam, etsi, tametsi, quamvis = ofschoon met een subjectieve bijbetekenis.

Quamvis mihi res non placeat, tamen non repugno
Hoezeer de zaak mij ook tegenstaat (niet bevalt), toch verzet ik mij er niet tegen.


5. Coni. temporalis


na een voegwoord als cum = toen

Naves cum Britanniae appropinquarent, tempestas subito coorta est

Toen de schepen Britannië naderden, stak plotseling een storm op.

soms na andere voegworden als dum = totdat, donec = totdat, priusquam = voordat,

antequam = voordat, als iets subjectiefs meespeelt.

Caesar ad oppidum contendit, priusquam hostes se ex terrore reciperent
Caesar haastte zich naar de vesting, voordat de vijanden zich van hun schrik konden herstellen.


6. Coni. irrealis


coni.imperf. of coni.plusq.perf. na voegwoorden als si = als, nisi = als niet

Et iam vicerat Poenus, nisi consul alter auxilio venisset
En reeds had de Puniër de overwinning behaald, als de andere consul niet te hulp wasgekomen.

Deze coni. drukt uit dat de voorwaarde niet mogelijk is.


7. Coni. potentialis


coni.praes. of coni. perf. na voegwoorden als si = als, nisi = als niet

Dies me deficiat, si omnia velim exponere
De dag (tijd) zal mij ontbreken, als ik alles zou willen uitleggen.

Deze coni. drukt de mogelijkheid uit.


8. Coni. obliquus


a. na vraagwoorden zoals quis = wie, qualis = hoedanig, an = of, cur = waarom,

quare = waarom; in de hoofdzin staat normaliter een ww. dat twijfel uitdrukt: dubitare, (ne)scire

Rogo, quid feceris
Ik vraag wat jij hebt gedaan

b. in een bijzin na een abl.absolutus, A.c.I. of een bijzin in de coni. staat bijna altijd ook een coni. obliquus

Dixit servus se omnia fecisse, quae sibi imperata essent
De slaaf zei dat hij alles gedaan had wat hem was opgedragen.


9. Coni. dubitativus


na vraagwoorden zoals quis = wie, qualis = hoedanig, an = of, cur = waarom,

quare = waarom; in de hoofdzin staat normaliter een ww. dat twijfel uitdrukt: dubitare, (ne)scire.

in de bijzin moet het hulpww. moeten aangevuld worden.

Quid faciam, nescio
Wat ik moet doen, weet ik niet.


Klik hier voor de vormen en de betekenis van de Coniunctivus in de hoofdzin.


Grammaticaoverzicht