Sycophant (συκοφάντης, letterlijk misschien 'vijgenaanwijzer' d.w.z. iemand die de dief van goederen met geringe waarde aanbrengt), in het oude Griekenland benaming voor degenen die het recht van iedere atheense burger om iemand aan te klagen misbruikten om zichzelf te verrijken of om persoonlijke of politieke tegenstanders uit te schakelen. De financiële voordelen waren soms aanzienlijk; zo kon in bepaalde openbare processen de aanklager aanspraak maken op de helft van de opgelegde boete. Als de aanklager zijn zaak niet doorzette, was hij weliswaar strafbaar, en eveneens wanneer hij minder dan een vijfde van de stemmen voor zijn aanklacht kon winnen; maar niettemin waren er in de 5e en ook nog 4e eeuw vC vrij veel beroepss.en.
Ook in andere democratische staten dan Athene
kwamen ze voor. Een van de kwalijkste uitwassen
van het misbruik was chantage door middel van
dreiging met een valse aanklacht. Omdat in Athene
de uitslag van een proces nooit met zekerheid te
voorspellen was, betaalden velen liever de geëiste
geldsom dan zich aan de risico's van een proces
bloot te stellen. Sommige aanzienlijke Atheners
beschermden zich zelfs tegen zulke chantage door
een vaste tegens. in dienst te nemen. Omdat vooral
vermogende burgers het slachtoffer van s.en werden,
lokte hun optreden herhaaldelijk oligarchische
reacties uit; in 404 vC lieten de
Dertig een
aantal van de beruchtste s.en terechtstellen.
In Rome, waar het misbruik vooral in de keizertijd
veel voorkwam, heette een beroepsaanklager delator.
Lit. K. Latte (PRE 4A, 1028-1031). - J. O. Lofberg,
Sycophancy in Athens (London 1914). G. M. Calhoun, Athenian
Clubs in Polities and Litigation (ib. 1927). K. Gerst, Die
allgemeine Anklagebefugnis in der attischen Demokratie
(Diss. Erlangen-Nürnberg, München 1963) 47-88, 126-135.
1. Zijlstra, De delatores te Rome tot aan Tiberius' regering
(Diss.Nijmegen, Sittard 1967). [Schouten]