Kudur-Mabuk

Kudur-Mabuk, (elamitische) naam van een stamhoofd of bedoeïenensjeik ('van Jamutbal') uit het gebied ten oosten van de benedenloop van de Tigris. Hoewel de naam elamitisch is, zijn er aanwijzingen dat K.-M. geen Elamiet was. Hij was de zoon van Simtisilhak. K.-M. is ons bekend uit eigen teksten en uit die van Waradsin, Rimsin en Enanedu. K.-M. veroverde ca. 1854 vC Larsa op de Kazallaeërs, die op hun beurt koning Silliadad hadden verjaagd. Na het verdrijven uit Larsa van de Kazallaeërs is K.-M. niet zelf koning geworden, maar heeft hij zijn zoon Waradsin op de troon gezet (volgens de z.g. middenchronologie 1834-1823). Diens elf- of twaalfjarige regering heeft K.-M. overleefd, getuige het feit dat hij door Rimsin, zijn tweede zoon (1822-1763) als medebouwer wordt genoemd bij de bouw van twee tempels.

Hoewel hij dus zowel vóór als tijdens de regeringen van zijn zoons aktief was, weten wij niet wat hij precies deed. Edzard veronderstelt o.a. dat K.-M. slechts 's winters in Larsa woonde, en 's zomers zijn 'oude beroep' - sjeik -, uitoefende.

Een dochter Enanedu van K.-M. was En-priesteres van de maangod Nanna in Ur. (Dat een prinses hoge religieuze funkties vervulde was in Mesopotamië een lange traditie: vgl. Sargon van Akkad-Enlheduanna, en Nabuna'id wiens dochter ook priesteres in Ur was). Hij moet na 1822 vC zijn overleden.


Lit. D. O. Edzard, Die zweite Zwischenzeit Babyloniens (Wiesbaden 1957). [Meijer]


Lijst van Namen