Kolonaat laatromeinse vorm van niet aan een
pachttermijn gebonden, erfelijke bodempacht,
waarbij de pachter (colonus) in een halfslafelijke
status geraakte. De toenemende duurte van slavenarbeid
had sinds het begin van de keizertijd tot gevolg
gehad dat gedeelten van een latifundium aan
oorspronkelijk vrije landbouwers tegen geld of een
deel van de opbrengst verpacht moesten worden.
Sedert de crisis in de 2e eeuw nC voegden zich bij
deze coloni de in het rijk opgenomen Germanen,
die bij toewijzing van land aan de bodem werden
gebonden. Een versmelting van beide vormen vond
haar neerslag in een wet van Constantijn (332), die
tot behoud van de arbeidskracht en ter veiligstelling
van de belastingen ook de coloni aan de bodem
bond: dezen mochten hun pachtland niet verlaten
doch evenmin ervan verwijderd worden. Ook een
nieuwe verwerver van de grond bleef aan de pachtovereenkomst
gebonden. Persoonlijk bezit mocht de
pachtboer niet vervreemden zonder toestemming
van de landheer (365 nC). Hierbij kwamen nog
hand- en spandiensten. Zo raakten de pachters, wier
kinderen verplicht werden hen op te volgen, als
servi rerrae ipsius cui nati sunt (Cod. Iustinianus 11,
52, 2) steeds meer in de macht van hun heren. Het k.,
dat zich van de keizerlijke domeinen tot particuliere
landerijen had uitgebreid, heeft zich in de
middeleeuwen op verschillende manieren verder
ontwikkeld.
Lit. O. Seeck (PRE 4, 483-510). - M. Rostovtzeff, Studien
zur Geschichte des römischen Kolonates
(Archiv für Papyrusforschung,
Beiheft 1, 1910 = Stuttgart 1970). R. Clausing,
The Roman Colonate. The Theories of its Origin (New York
1925). M. Rostovtzeff, A Social and Economic History of
the Roman Empire (Oxford 1926, ²1957). P. Collinet, Le
colonat dans l'empire romain (Bruxelles 1937). A. H. Jones,
The Later Roman Empire, 284-602. A Social, Economic and
Administrative Survey 2 (Oxford 1964) 795-812.
[A. J. Janssen]