Het t. in de zin van een rechtsgeldige
laatste wilsbeschikking omtrent hetgeen iemand
wil dat na zijn dood zal geschieden, m.n. met zijn
bezittingen, is ontstaan in de tijd toen het desbetreffende
gewoonterecht niet meer in alle situaties voorzag
of wilde voorzien. Sinds de codificatie van het
erfrecht bestond vrijwel overal in meerdere of mindere
mate de mogelijkheid om in plaats van de algemene
erfrechtbepalingen te volgen, een - uiteraard
ook aan wettelijke voorwaarden onderworpen - bijzondere
wilsbeschikking te treffen. De geschiedenis
van het erfrecht en van het testamentaire recht is bij
de meeste volken zeer ingewikkeld. In griekse bronnen
komt het t. (διαθήκη) het eerst voor in de wetgeving
van Solon,
bij de Romeinen in de Wetten
der twaalf tafelen.
Lit. J. Lipsius, Das attische Recht und Rechtsverfahren 1-2 (Leipzig
1905-191 = Hildesheim 1966). M. Kaser, Das römische Privatrecht
1 (München ²1971). P. Voci. Diritto ereditario romano 1-2 (Milaan
1963-1967). [Nuchelmans]