Tollenaar (τελώνης, latijn publicanus). In het romeinse
rijk werd de inning van tollen en andere belastingen
verpacht aan particuliere belastinginners
of t.s. Daar dezen in elk geval de pachtsom eruit
moesten halen, stonden zij bekend om hun afpersingen.
Zie Publicanus.
In het NT is t. synoniem met zondaar
(Mt9,10 e.p.;11, 19 e.p.;Lc 18,11) of met heiden
(Mt5,46v; 18,17) en worden t.s. in één adem genoemd met hoeren
(Mt 21, 31). De parabel van de farizeeër en de t.
(Lc 18, 9-14) wil duidelijk twee uitersten noemen.
Met name in het NT genoemde t.s zijn Zacheüs (Lc
19, 2) en Levi (Mc 2, 14 e.p.), die in Mt 9, 9 en 10,
3 Mattheüs heet.