Publicanus

Publicanus heette bij de Romeinen in het algemeen een particulier die op grond van een zakelijke verbintenis met de staat bepaalde taken voor deze uitvoerde. Deze werden door de censores bij een lustrum aan de meestbiedende verpacht en konden o.m. de aanleg van bouwwerken, voedsel- en andere leveranties, het werk in de staatsmijnen en de inning van staatsinkomsten betreffen. Daarbij moest de p. aan de staat een voorschot betalen, zekerheid stellen en de jaarlijkse pachtsom voldoen. Op deze wijze ontving de staat een vast inkomen zonder de lasten te hebben van een eigen ambtenarenapparaat en bij behorende administratie. De belangrijkste groep publicani vormden de belastinginners of tollenaars, die vaak berucht waren om hun afpersingen (Verres). Mettertijd ontstond een ordo publicanorum, die een machtig lichaam werd, doordat zijn leden grotendeels tot de geprivilegieerde ridderstand behoorden en grote rijkdommen verwierven. In de late republiek, toen de werkzaamheden toenamen, sloten de publicani zich aaneen in straf georganiseerde societates, waarvan de leiding in handen van een magister en het zakelijk beleid bij een manceps lag. Hun aandelen (partes; aandeelhouder: particeps) werden verhandeld. Een pro magistro vertegenwoordigde de magister in de provincies; zijn staf van helpers bestond veelal uit slaven en vrijgelatenen. Klachten over de inning van portoria leidden onder Nero tot controlemaatregelen: keizerlijke procuratores zagen voortaan toe op de activiteiten van de publicani. Ten tijde van Traianus was de p. enkel nog belastinggaarder.


Lit. G. Ürögdi (PRE Suppl. 11, 1968, 1184-1208). - M. Rostowzew, Die Geschichte der Staatspacht in der römischen Kaiserzeit bis Diokletian (Philologus Suppl. 9, Leipzig 1904, 3290 512). E. Badian, Publicans and Sinners. Private enterprise in the service of the Roman Republic (Oxford 1972). [A. J. Janssen]


Register