Portorium (letterlijk 'havengeld'), bij de Romeinen verzamelnaam voor alle soorten van tollen, in-, uit- en doorvoerrechten. Portoria werden, als bijdragen aan de openbare financiën, geheven van personen en zaken die van een bepaalde weg, brug, veer e.d. gebruik maakten of een bepaalde grens overschreden, hetzij de rijksgrens hetzij de grenzen van een stad, van een provincie of van een groep tot één tolgebied verenigde provincies. De oudste berichten over portoria en verpachting ervan dateren uit het begin van de 2e eeuw vC, maar het verschijnsel is zeker veel ouder. In 60 vC werden in Italië alle tollen afgeschaft, maar Caesar stelde in 46 vC weer invoerrechten in. In de keizertijd was het gehele rijk in toldistricten ingedeeld, waar verschillende percentages golden: in de Galliae en in Asia bv. 2,5%, maar in Syrië en Egypte tot 25%.
Tot in de 2e eeuw nC werden de portoria, evenals
de overige belastingen, voor de staat geïnd door
particuliere belastingpachters of -pachtmaatschappijen
(publicanus), sinds de tweede helft van de
2e eeuw geschiedde de inning steeds meer door de
staat zelf, die haar opdroeg aan procuratores.
Lit. F. Vittinghoff (PRE 22, 346-399). - S. de Laet, P. Étude
sur Porganisation douanière chez les Romains, surtout à
l'époque du Haut-Empire (Bruges 1949). [Nuchelmans]