Genius

munt
Genius GENIO POPV-LI-ROMANI - AQP
(munt van Galerius 300 n.C.)
Genius (letterlijk 'verwekker', van gignere, genui), in engere zin bij de Romeinen naam van de goddelijke 'belichaming' van de procreatieve kracht van de man, die niet alleen zijn geslachtsorganen maar zijn gehele persoon doordringt. Oorspronkelijk schijnt de genius geïdentificeerd te zijn met de stamvader, die zich in zijn nageslacht manifesteert en de continuïteit van de gens verzekert (het huwelijksbed heette lectus genialis), later werd hij meer opgevat als een soort beschermengel, die zijn beschermeling overal vergezelt en diens persoonlijke ontplooiing begunstigt door zijn verlangens te bevredigen. In deze laatste gestalte is invloed van het griekse demon-begrip onmiskenbaar.

Ofschoon ieder mannelijk wezen een genius had - zoals iedere vrouw haar iuno - gold een speciale cultus de genius van de pater familias; deze werd vereerd aan de huiselijke haard en dikwijls voorgesteld als een slang, het chtonische dier dat de stamvader uit het dodenrijk vertegenwoordigde. Op de verjaardag van de heer des huizes werden aan diens genius offergaven gewijd. Slaven plachten te zweren bij de genius familiaris. Op muurschilderingen te Pompeji en elders vinden we de genius van de heer des huizes ook weergegeven in de gestalte van een in toga geklede, bij de haard offerende man, geflankeerd door twee Lares. Uit de genius van de pater-familias ontstond, logischerwijze, de genius van de keizer; een senaatsbesluit van 29 vC bepaalde dat de genius Augusti in elke stadswijk tussen twee Lares vereerd moest worden. Zonder aanstoot te wekken vormde deze maatregel een aanloop tot de latere keizercultus.

In ruimere en deels overdrachtelijke zin bezaten sinds de 2e eeuw vC in toenemende mate ook het romeinse volk, de senaat, gilden, militaire eenheden, provincies, plaatsen (genius loci), steden, ja zelfs de goden een eigen genius. Deze genii werden niet zelden ook als jongemannen weergegeven.

De moderne - wijsgeringe en psychologische - begrippen genius en 'genie' gaan voor een deel via de Renaissance terug op de oudheid, voor een ander deel zijn ze produkten van geestelijke stromingen uit de 17e en 18e eeuw.


Lit. T. Birt (Roscher 1, 1613-1625). W. Otto (PRE 7, 1155-1170). W. Fuchs (EAA 3, 810-816). - G. Wissowa, Religion und Kult der Römer (München 1912) 175-181. E. Zilsch, Die Entstehung des Geniebegriffes. Ein Beitrag zur Ideengeschichte der Antike und des Frühkapitalismus (Tübingen 1926). E. Rink, Die bildlichen Darstellungen des römischen G. (Diss. Giessen 1933). H. Wagenvoort, Imperium. Studiën over het 'mana'-begrip in zede en taal der Romeinen (Amsterdam 1941) 176-187. K. Latte, Römische Religionsgeschichte (München 1960) 103-107. [Nuchelmans]


Register