De School

De school begon bij het aanbreken van de dag en duurde zonder pauze tot het middaguur. De onderwijzer zat met zijn leerlingen onder de luifel van een winkel, waar al het rumoer van de straat, die slechts door een tentdoek van de lesruimte gescheiden was, kon doordringen. Het karig meubilair bestond uit een stoel voor de meester en banken of krukjes voor de leerlingen, een schoolbord, wastafeltjes en een paar rekenborden (abaci). De lessen werden alle dagen van het jaar met een wanhopige eentonigheid gegeven en alleen onderbroken door de nundinae (een om de acht dagen gegeven vrije dag), de quinquatrus (de vijf dagen na volle maan) en de zomervakanties. De onderwijzer bepaalde er zich toe zijn leerlingen te leren lezen, schrijven en rekenen; en aangezien hij hierover verscheidene jaren mocht doen nam hij niet de moeite zijn armzalige methode van lesgeven te verbeteren of zijn saaie routinewerk nieuw leven in te blazen. Zo leerde hij zijn kinderen de naam en de volgorde van de letters, voordat hij hun de vorm er van toonde, een methode, die Quintilianus ten zeerste afkeurt en wanneer zijn leerlingen dan met veel moeite hadden geleerd om de geschreven letters te herkennen, moesten zij zich opnieuw inspannen om er lettergrepen en woorden van te vormen. Zij vorderden net zo vlug of langzaam als zij wilden; en wanneer zij aan het schrijven toe waren, stuitten zij op dezelfde onlogische langzame methode. Zij kregen zomaar een voorbeeld voor hun neus en omdat zij er geen idee van hadden op welke manier zij dit moesten naschrijven, hield de meester hun vingers vast of moest iemand anders hun handje besturen om de letters van het voorbeeld na te trekken, zodat er talloze lessen nodig waren vóór zij over de nodige vaardigheid beschikten het eenvoudige werk alleen te maken. Aan de rekenlessen, die op dezelfde domme wijze gegeven werden, beleefden zij ook weinig plezier. Urenlang oefenden zij zich in het optellen van een en twee op de vingers van de rechterhand en van drie en vier op de vingers van hun linkerhand, waarna zij met tientallen, honderdtallen en duizendtallen rekenden door kleine steentjes of calculi te schuiven langs de overeenkomstige lijnen van hun abacus.



Vorige  Index  Volgende  Register