
Romeinse soldaten moesten sinds de hervorming van Marius veel
meer zelf dragen. Zij werden zelfs 'Marius' muilezels' genoemd.
Bij deze bepakking hoorde naast de wapens ook de kampeeruitrusting.
Een aantal daartoe behorende voorwerpen is hier afgebeeld. Een
bronzen eet-gamel, een wateremmer/ketel, een sikkel om graan en ander
voedsel te kunnen maaien en een tenen mand voor het verplaatsen van aarde
staan hierboven. Een pikhouweel (dolabra) met schede, een plaggensteker
en een dubbel gepunt staketsel (pilum murale) om het kamp te versterken
ziet u rechts. (Twee van deze puntijzers werden gewoonlijk door elke
man meegedragen - vroeger gebruikte men hiervoor afgesneden en
met elkaar verbonden takken.) De verdunning in het midden was bedoeld
om ze onderling met elkaar te kunnen verbinden. Waarschijnlijk droeg
niet elke soldaat precies dezelfde last, zodat dan de een een schop en
een dolabra meevoerde en de ander eveneens een schop, maar gecombineerd
met een plaggensteker.