
Romeinse helmen waren gemaakt van ijzer of een koperlegering (o.a. brons). Er zat een nekbescherming aan vast (tegen slagen van achteren), kaakbeschermers en een ijzeren rand boven de ogen die er voor moest zorgen dat de slagen van voren niet doorschoten. Op veel helmen zat een gleuf waarin een kam bevestigd kon worden. Vaak werd de naam van de eigenaar in de helm gekrast.