In ruimere zin (1) was A. (Ἀσία) voor de Grieken en Romeinen de benaming voor het hun bekende gedeelte van het werelddeel Azië. In engere zin (2) duidde de naam het kleinaziatische gebied aan dat sinds 133 vC de romeinse provincie A. vormde.
(1) De naam A. gaat vermoedelijk terug op Assuwa, waarmee de Hethieten het noordwesten van KleinAzië aanduidden. Bij Homerus (Ilias 2, 461) heeft het adiectivum Asios betrekking op een vruchtbare vlakte in Lydië. Naarmate de Grieken tussen 800 en 600 vC al koloniserend en handel drijvend zich rekenschap begonnen te geven van het bestaan van enorme gebieden buiten Europa, werd A. de verzamelnaam voor alle niet-europese landen die binnen hun gezichtskring kwamen. Ook Λιβύη - Zo noemden de Grieken ons werelddeel Africa - werd tot ca. 500 vC door hen algemeen als een deel van A. gerekend: Eqypte rekenden ze nog tot in de 3e eeuw vC gewoonlijk tot A.
In Herodotus'
tijd (5e eeuw vC) reikte de kennis
van de Grieken omtrent A. niet verder dan het
noorden van de arabische woestijn, de Indus, Bactrië,
de Kaspische Zee en de Caucasus; ten aanzien
van het gehele gebied ten oosten van
Babylon was
deze kennis echter uiterst gebrekkig en bleef dat
tot het optreden van
Alexander de Grote. Door
diens expeditie, de daarbij aansluitende kolonisatie
en uitbreiding der handelsbetrekkingen leerde men
niet alleen het land tussen Babylon en de Indus veel
beter kennen, maar werden ook de Himalaya,
Indië en de zeeroute tussen Indië en de Perzische
Golf ontdekt
(Nearchus van Kreta). De eerste
contacten met chinese kooplieden waren het gevolg.
Bestendiging en uitbreiding daarvan werden in de
volgende eeuwen verhinderd door het optreden van
de Parthen. Niettemin
bereikte omstreeks het begin
van de christelijke jaartelling zijde uit China en
Tibet het Westen. Pas in de le en 2e eeuw nC onderging
de europese kennis omtrent A. weer een
aanzienlijke vermeerdering: europese kooplieden
drongen door tot in Achter-Indië, Mongolië en
West-China (waar zelfs enkele romeinse munten
gevonden zijn), chinese collega's bezochten Mesopotamië
en Syrië, volgens chinese bronnen zou in
166 nC Marcus Aurelius
zelfs een officieel gezantschap
naar China hebben gezonden. Toch bleef de
kennis van het Verre Oosten zeer fragmentarisch;
de chinese oostkust, de oceaan ten oosten van China,
evenals Japan schijnen Europa in de Oudheid
geheel onbekend te zijn gebleven.
(2) De romeinse provincie A. kwam tot stand nadat in 133 vC koning Attalus III van Pergamum zijn koninkrijk bij testament aan de Romeinen had vermaakt. Het gebied, dat na een korte maar hevige onrustperiode Aristonicus) eerst in 128 en 127 door de proconsul Manius Aquilius als provincie kon worden ingericht, bestond aanvankelijk uit de westkust van Klein-Azië en de landstreken Mysië, Lydië en Carië; Phrygië, aanvankelijk aan Mithridates V van Pontus toevertrouwd, werd in 116 vC bij A. gevoegd. Van 49 vC tot 297 nC omvatte de provincie het gehele westen van Klein-Azië, inclusief de voor de kust liggende eilanden; in het noorden werd ze begrensd door de provincie (sinds 74 vC) Bithynia et Pontus, in het zuidoosten sinds 102 vC door de provincie Cilicia, sinds 43 nC door de provincie Lycia et Pamphylia, in het oosten door de provincie (sinds 25 vC) Galatia.
De provincie A. bestond uit een groot aantal stadsgebieden
- sommige bleven tot in de 1e eeuw nC,
althans in naam, civitares liberae - die onder toezicht
van de provinciale gouverneur hun eigen bestuur
behielden. Deze vormden gezamenlijk het
commune Asiae, een algemene vergadering van afgevaardigden
van alle steden, die eenmaal per jaar
bijeenkwam om voorstellen aan Rome te doen, de
officiële eredienst van Roma en Augustus te regelen,
feesten te organiseren enz.
Ten tijde van de republiek waren de romeinse stadhouders
van A. propraetoren, praetoren of proconsuls,
sinds het door Augustus bij de senatoriale provincies
was ingedeeld, door de senaat aangewezen
oud-consuls met de titel van
proconsul; dezen
werden bijgestaan door drie
legati pro praetore en
een quaestor;
de belangen van de keizer werden
door procuratores behartigd.
Het door de natuur rijk gezegende westen van Klein-Azië was in de 2e eeuw vC een welvarend land: zowel landbouw als handel en industrie bloeiden er in vele tientallen steden, niet alleen aan de kust maar ook in het binnenland. Als gieren stortten de romeinse ambtenaren, kapitalisten en belastingpachters zich op deze buit; in 40 jaar tijds wisten ze de nieuwe provincie aan de rand van de economische afgrond te brengen en bij de bewoners een haat tegen Rome te wekken, die zich in 88 vC ontlaadde in een vreselijk bloedbad, waarbij naar verluidt op één dag 80.000 in A. verblijvende Romeinen en Italiërs het leven lieten (Mithridates VI van Pontus). Voor straf moesten de schuldigen binnen een jaar het vijfvoud van de normale belasting opbrengen. In de volgende decennia werd de situatie nauwelijks beter: afpersingen en plunderingen bleven aan de orde van de dag. Eerst in de keizertijd, en vooral in de 2e eeuw nC, keerde de welvaart terug, waarvan talrijke over de gehele streek verspreide indrukwekkende overblijfselen nog steeds getuigen. In de 3e eeuw deelde A. in de algemene crisis van het rijk, in de 4e eeuw verloor het definitief de sleutelpositie die het eeuwenlang in de intercontinentale handel had ingenomen.
Bij de reorganisatie der provincies onder Diocletianus
werd de provincie A. omgevormd tot de dioecesis Asiana,
onderverdeeld in de provincies Hellespontus,
Insulae, Asia (de kuststreek tussen de
Troas en de Maeander), Lydia, Phrygia, Caria,
Lycia, Pamphylia, Pisidia en Lycaonia. Bij de splitsing
van het romeinse rijk in 395 viel A. uiteraard
aan het oostelijke deel toe.
De verbinding A. minor met de betekenis van Klein-Azië
komt voor het eerst voor in Orosius' Historiae
adversus Paganos (begin 5e eeuw nC).
Lit. Brandis (PRE 2, 1538-1562). - V. Chapot, La province romaine d'Asie (Paris 1904). A. H. M. Jones, The Cities of the Eastern Roman Provinces (Oxford 1937). D. Levi, Le grandi strade romane in Asia (Spoleto 1938). T. R. S. Broughton, Roman Asia Minor (in T. Frank, An Economic Survey of Ancient Rome 4, Baltimore 1938, 503-916). D. Magie, Roman Rule in Asia Minor to the End of the third Century after Christ 1-2 (Princeton N.J. 1950). [Nuchelmans]