Het subcontinent India (Ἰνδία) werd de volkeren van het Nabije Oosten en de Grieken pas bekend toen het perzische rijk zich op het eind van de 6e eeuw vC tot aan de Indus had uitgebreid. Ca. 510 vC verkende Scylax van Caryanda in opdracht van Darius I de Indus en zeilde vervolgens vanaf de delta van deze rivier om Arabië heen naar Egypte. Het verslag dat Scylax van deze tocht samenstelde werd door Hecataeus en Herodotus (3, 98-105) als bron voor hun summiere beschrijvingen van I. benut. De Ἰνδικά van Ctesias, die van ca. 405 tot 397 vC hofarts van Artaxerxes II was, bevatten meer wonderlijke verhalen dan betrouwbare inlichtingen; hij maakte voor het eerst melding van de Ganges.
Pas door de expedities van
Alexander de Grote,
die de Hyphasis bereikte op een punt ruim
300 km ten oosten van de Indus, werd de kennis
van althans het noordwesten van I. wat nauwkeuriger;
de geschriften van ooggetuigen die aan Alexanders
tochten deelgenomen hadden verbreidden
deze kennis over de griekse wereld.

In het begin van de 2e eeuw vC werd het noordwesten van I. veroverd door de grieks-bactrische vorst Demetrius; aan de hellenistische heerschappij van hem en zijn opvolgers, waarvan we helaas slechts weinig weten (Bactrië), kwam in het begin van de 1e eeuw vC een einde door invallen van Saken, Scythen en Tocharen. Inmiddels had de opkomst van het machtige parthische rijk der Arsaciden de directe contacten tussen het Nabije Oosten en I. vrijwel geheel geblokkeerd. Deze werden weer frequenter ten tijde van keizer Augustus, nadat Hippalus een rechtstreekse zeeweg van Egypte naar I. ontdekt had. Augustus, Claudius en andere romeinse keizers ontvingen indische gezantschappen en in de beide eerste eeuwen nC werd door griekse en romeinse kooplieden met grote delen van I. levendige handel gedreven: I. exporteerde parfums, specerijen, edelstenen, parels, ivoor, dieren en chinese zijde (China) en importeerde wijn, linnen, glas, ceramiek en gouden en zilveren munten, waarvan vooral in het zuiden van het land grote aantallen zijn teruggevonden. De belangrijkste markten op de westkust die de kooplieden bezochten waren Barbaricon (Bahardipur), Barygaza (Broach), Muziris (Cranganore) en Nelcynda (Kottayam); sommige drongen zelfs door tot Ceylon (Taprobane), de oostkust en Achter-Indië. In de Tamil-teksten uit de 1e en 2e eeuw nC komen griekse kooplieden als ingezetenen van het land voor. Na 200 nC ging de handel echter steeds meer in arabische en perzische handen over en werd I. voor Grieken en Romeinen weer het verre fabelland dat het vóór Alexander de Grote geweest was en ook het grootste deel van de middeleeuwen zou blijven. De oudste christelijke nederzettingen in I. hebben hun oorsprong vooral aan de Perzen te danken.
De grieks-romeinse invloed op de indische kunst was
vooral sterk in de eerste eeuwen vC en de 1e eeuw
nC in het noordwesten van I., maar plaatst de kunsthistorici
overigens nog voor vele problemen.
Lit. Weeker (PRE 9, 1264-1325). H. Ingholt (EAA 3, 776-788
s.v. Gandhara). - A. Foucher, L'art gréco-bouddhique du
Gandhära 1-2 (Paris 1905-1951). W. Reese, Die griechischen
Nachrichten über Indien bis zum Feldzuge Alexanders des
Grossen (1914). E. H. Warmington, Commerce between the
Roman Empire and I. (Cambridge 1928). W. Tarn, The
Greeks in Bactria and India² (Cambridge 1951 = 1966).
B. C. Law, Historical Geography of Ancient I. (Paris 1954).
A. K. Narain, The Indo-Greeks (Oxford 1957). B. A. Saletore,
India's Diplomatic Relations with the West (Bombay
1958). A. N. Lahiri, Corpus of Indo-Greek Coins (Calcutta
1965).
[Nuchelmans]