
Golgota (volgens de evangeliën schedelplaats), de
plaats waar Jezus werd gekruisigd (Mt27,33 e.p.;
Jo 19,17). Volgens G. Dalman (PJb 1913, 98vv) zou
het woord G. teruggaan op het arameese gulgultā'
of golgoltā (schedel), in het grieks vereenvoudigd
tot γολγοθᾶ. Dalman (p. 99) dacht ook aan de mogelijkheid
dat G. teruggaat op gal-gō'āh (steenhoop van
Goa; Jr31,39: go'ātāh), maar verwierp deze. J.
Boehmer (ZAW 34, 1914, 301-311) verdedigde deze
afleiding. - Zeker is dat de naam G. niet in verband
staat met de schedel van Adam, die hier begraven
zou zijn (Origenes) of met de schedels van de aldaar
terechtgestelden (Hieronymus). G. lag buiten de stad
Jeruzalem (Mt27,32 e.p.; Hb 13,12v), in de nabijheid
van een tuin (Jo 19,41). Hiermee stemt de traditionele,
door de H. Grafkerk aangegeven plaats
overeen, want deze lag tot 43 nC buiten de toenmalige
(tweede) muur van het oude Jeruzalem, waarvan
resten teruggevonden zijn. Dat dit gehele complex
als begraafplaats diende, wordt bewezen door
de zich nu nog onder de H. Grafkerk bevindende
joodse graven. Nadat keizer Hadrianus de plaats
onder het forum van Aelia Capitolina bedolven had,
liet keizer Constantijn de rots weer vrijleggen en
daarop de H. Grafkerk bouwen.
Lit. J. Jeremias, Golgotha (Göttingen 1926). A. Parrot,
Golgotha et Saint Sépulchre (Paris 1955). Kopp 422-444.
[v. d. Born]