Threnos

Threnos (θρῆνος), bij de Grieken naam van het klaaglied dat bij of ter ere van een dode gezongen werd. Threnoi worden al enkele malen door Homerus beschreven (Ilias 18, 50-64, 314-342; 23, 1-23; 24, 719-775; Odyssee 24, 58-64). Ze werden gewoonlijk gezongen door een koor of door een voorzanger in afwisseling met een koor.

Enkele korte fragmenten van literaire threnoi bezitten we van Simonides (D.L. Page, Poetae Melici Graeci, Oxford 1962, 272-276) en van Pindarus (B. Snell, Pindari Carmina cum fragmentis, Leipzig 1955, 262-265).

De typische, kunstige vormen van dodenklachten die in de tragedie voorkomen werden - met een woord dat naar de bijbehorende gebaren verwijst (κόπτομαι, 'zich (op de borst) slaan' - κομμός genoemd: bv. Aeschylus, Perzen 918-1076, Zeven tegen Thebe 875-1004, Agamemnon 1448-1576, Choëphoren 306-478; Euripides, Electra 1177-1232, Andromache 1173-1225.

In de hellenistische literatuur kunnen tot de threnoi worden gerekend de Ἀδώνιδος ἐπιτάφιος van Bion en de anonieme Ἐπιτάφιος Βίωνος, beide in hexameters en met een eenregelig refrein (A. S. Gow, Bucolici Graeci, Oxford 1952, 153-157, 140-145).

Sommige antieke lexicografen maakten (een kunstmatig?) onderscheid tussen het ἐπικήδειον, dat gezongen werd bij de opgebaarde dode, en de θρῆνος, die gezongen werd om de dode te herdenken.


Lit. E. Reimer, Die rituelle Totenklage der Griechen (Diss. Tübingen 1938). [Nuchelmans]


Lijst van Auteurs